EEN DOODGEWOON ROTTERDAMS SCHIPPERSLEVEN

Dirck Fransz Quispel. Rotterdams Koopman en Reder in de Gouden Eeuw door I.P. Spruit 198 blz., (In eigen beheer) 1993, f 68,- ISBN 90 80069 72 8 (informatie: Zoeterwoudesingel 29, 2313 EJ Leiden, tel: 071-146838)

Dit keurig verzorgde boek is al nummer twee in een nog voort te zetten serie onder de naam "Het geslacht Quispel'. De huidige leden daarvan zijn blijkbaar talrijk en voldoende genteresseerd om zo'n werk, waaraan veel tijd, geld en moeite is besteed, in druk uit te geven. Wie zou tegen deze sympathieke genealogische liefhebberij bezwaar maken? Te vrezen is echter dat de meerderheid van het Nederlandse volk niet bij voorbaat deze belangstelling voor hun familiegeschiedenis met de Quispels deelt. De vraag rijst wat dan wel de zin en betekenis van een en ander mag zijn.

De schrijfster I. P. Spruit - van huis uit cultureel-anthropologe en sociologe - meent met Dirck Fransz Quispel. Rotterdams Koopman en Reder in de Gouden Eeuw wel degelijk een boek voor een breder publiek geschreven te hebben. Heeft zij immers niet op basis van ""meer dan honderd documenten'' een ""historische biografie'' geschreven van een ""gewoon'' mens die ruim drie eeuwen geleden heeft geleefd? Een unieke reconstructie van zo'n leven, wil dit werk zijn, dat redelijk representatief is voor de destijds zo belangrijke beroepscategorie van schippers en kooplui.

Toch lag een heuse levensbeschrijving buiten het terrein van de mogelijkheden. De beschikbare bronnen - zakelijke documenten en gegevens van vaak incidentele aard - verschaften daartoe toch onvoldoende en te weinig samenhangende informatie. Zij onthullen weinig of niets over het karakter en de persoonlijkheid van Dirck Fransz Quispel. In de plaats daarvan heeft de schrijfster geprobeerd de achtergronden van zijn optreden te schetsen aan de hand van allerlei informatieve gegevens, die vaak niet of nauwelijks rechtstreeks verband houden met de hoofdpersoon. Dat levert wel een en ander aan wetenswaardigheden op en verschaft bovendien een aardige inkijk in diverse facetten van het toenmalige maatschappelijke leven. Maar het geheel blijft toch te onsamenhangend van opzet om te kunnen voldoen aan de maatstaven van de beroepshistoricus, die al met al niet zo heel veel nieuws in dit boek aantreft.

Welke zin heeft het bijvoorbeeld te weten dat Rotterdam in 1653 door een springvloed onder water werd gezet, dat de periode 1640-1710 bekend staat als de kleine ijstijd of dat Lodewijk XIV ""knarsetandend'' toezag hoe de door hem verdreven Hugenoten hem hier te lande bespotten? En was het nu werkelijk nodig het geschiedverhaal te onderbreken met een filippica tegen het hedendaagse archiefbeheer of herhaalde waarschuwingen voor het gebrek aan uniforme spelling in de 17de eeuw?

VERRE STREKEN

Wie prijs stelt op geschiedkundige zorgvuldigheid zal zich trouwens storen aan de luchthartigheid waarmee de schrijfster haar verhaal verrijkt met ontoetsbare, generaliserende uitspraken en opinies die niet steunen op het gebruikte bronnenmateriaal. Daartoe hoort onder meer haar idee dat men hier te lande omstreeks 1650 algemeen geloofde dat de komende tijd alleen maar vooruitgang zou brengen. Dat is onwaarschijnlijk want het vooruitgangsgeloof dateert uit latere tijden. De kritische lezer stuit ook op onjuistheden, zoals de mededeling dat in Amsterdam de Verenigde Oostindische Compagnie en de vaart op verre streken domineerde terwijl in Rotterdam de kleine vrachtvaart en de vaart op de Levant en de Sont veel belangrijker zouden zijn geweest. Men kijkt er ook van op als men leest dat de Engelse burgeroorlog nota bene in het jaar van zijn beëindiging - 1648 - weer opleefde of dat men destijds hier te lande van slechts twaalf gulden moest leven. Zó erg was het nou ook weer niet!

Wie evenwel afziet van deze onvolkomenheden zal toch genoegen beleven aan de vele anekdotes, aardige smeugheden en interessante verhalen die de schrijfster te berde brengt. Voorzover zij er bovendien in geslaagd is de levensloop van haar held aan de hand van de bronnen te achterhalen, biedt deze wel degelijk een representatief en illustratief beeld van een groep ondernemende kooplui en schippers die niet zo opvallend als de vertegenwoordigers van het grote handelskapitaal maar niet minder wezenlijk heeft bijgedragen tot de economische ontwikkeling van Nederland in de zeventiende eeuw.

Dirck Fransz Quispel mag dan als mens van vlees en bloed goeddeels een schim op papier blijven, zijn successen, moeilijkheden, tegenvallers, familielotgevallen, conflicten, ruzietjes en mislukkingen geven wel degelijk een goede indruk van de gangbare koopvaardij zoals die destijds in het bijzonder te Rotterdam gestalte kreeg. Zijn vader was daar werkzaam geweest als haringvisser en -handelaar en in 1655 was Dirck hem in die lijn gevolgd toen hij (mede)eigenaar werd van een galjoot dat twee jaar later verging. Toch ging het in de daaropvolgende jaren in financieel opzicht redelijk goed met de vrachtvaart en handel die Quispel gelijk veel van zijn collega's uit Rotterdam met name op Engeland en Frankrijk bedreef. Naast zijn eenmansbedrijf ging hij in de jaren zeventig deel uitmaken van een niet onbelangrijke rederscombinatie.

Visserij, handel, rederij, koopvaardij, oorlog - het was destijds nog vaak één pot nat en in juni 1673 nam Quispel onder bevel van Michiel Adraensz de Ruyter warempel zelfs deel aan een heuse zeeslag tegen de Engelsen. In die tijd klom hij als welgesteld koopman van aanzien die het schippersbestaan er aan had gegeven, binnen de kring van de brede burgerij op naar de bovenste laag daarvan die al tegen het patriciaat aanleunde. Maar in de jaren negentig ging het mis, al blijft het een beetje onduidelijk waaraan dit nu precies te wijten was. Mogelijk zat de Negenjarige Oorlog met Frankrijk hem tegen. Zowel in zakelijk als familiaal verband ging van alles en nog wat mis. Hoe dan ook, Dirck Quispel werd in 1692 insolvent verklaard. Hij zag zich gedwongen terug te keren naar het oude, harde schippersbestaan. In 1696 werden hij en zijn schip slachtoffer van een kaping door de Duinkerkers.

Quispel liep al tegen de zeventig toen hij ten slotte in 1701 een punt zette achter zijn schippersbestaan. Tot 1708 fungeerde hij nog als "binnenvader' van het Proveniershuis voor bejaarden van gegoede stand. Tien jaar later is hij, vierentachtig jaar oud, overleden.