DIE ZINTUIGLIJKE BINDING MET DE INDISCHE GEBOORTEGROND

Ik wilde eigenlijk niet gaan. De repatriëring van Indische Nederlanders 1946 - 1964 door Siem Boon en Eva van Geleuken (samenstellers) 120 blz., Tong Tong 1993, f 29,95 ISBN 90 801433 1 6

Lange tijd was ik trots op het woord "repatriant'. Onze familie was gerepatrieerd, wij waren repatrianten. Toentertijd wist ik nauwelijks wat het woord betekende. Ik was te jong om de volle betekenis ervan te bevatten. Het was een vreemd woord en het had iets met het voormalige Indië van doen, in mijn tijd al gewoon Indonesië. Dat wakkerde het besef van exotisme aan en, voor wie daar gevoelig voor is, de drang om je te onderscheiden.

Pas later kwam ik erachter dat achter de repatriëring van zowel Indische Nederlanders als blanke Nederlanders een drama schuilging, dat tot op heden nog steeds niet is vergeten. Integendeel. Menig Haagse boekhandel heeft de Indische belletrie op een aparte tafel liggen. Bijzonder onderdeel van die Nederlands-Indische literatuur vormen weer de boeken over de gedwongen terugkeer die in 1946 begon en tot halverwege de jaren zestig duurde.

Veel romans en verhalenbundels hebben dat afscheid van Indië of Indonesië en de aankomst in Nederland tot onderwerp. Tot een overkoepelende visie komt geen van de auteurs, want elk behandelt zijn of haar persoonlijke geschiedenis en die van de familie. Over aantallen, de politieke achtergrond, de zo uiteenlopende motieven tot terugkeer was weinig tot niets verschenen. Met de uitgave van Ik wilde eigenlijk niet gaan, samengesteld door Siem Boon en Eva van Geleuken, is daaraan een eind gekomen.

Repatriëring is niet iets dat zich in een zijkamertje van de geschiedenis afspeelde, waar de repatrianten schimmige figuranten zouden zijn. Meer dan driehonderdduizend Indische Nederlanders en volbloed blanken arriveerden tussen 1946 en 1964 in Nederland. Allen hadden een band met Indië. Voor de meesten was de terugkeer een breuk in hun leven en toekomstverwachtingen. In de woorden van Hella Haasse uit haar onlangs verschenen boek Een handvol achtergrond: ""Hoe zou ik mij ooit kunnen losmaken van mijn "Indische' verleden? Dat is, op de keper beschouwd, vooral dit: de instinctieve, zintuiglijke binding met de geboortegrond, met het klimaat van mijn jeugd.''

HOGERE MACHTEN

De repatriëring was een politieke kwestie. Ze vormde het resultaat van het spel tussen hogere machten, dat individuen weerloos maakt. De samenstellers van Ik wilde eigenlijk niet gaan zijn zich van de historische dimensie terdege bewust. Repatriëring is meer dan de aankomst in het steenkoude, bijna altijd winterse en besneeuwde Nederland, waarvan de bewoners nog ongastvrij waren ook. En dom. Want ze begrepen er niets van dat die lieden uit de kolonie zo goed Nederlands spreken en wisten waar Paterswolde lag. En wie in de duinen wilde gaan wandelen, kreeg een bekeuring, want voor de Nederlandse natuur moet je entree betalen. Dat was daarginds wel anders.

In grote, heldere lijnen schetsen de samenstellers de geschiedenis van de voormalige kolonie tot en met de onafhankelijkheid in 1949 en de overdracht van Nieuw-Guinea in 1963. De repatriëring ging in golven. De eerste bestond uit de duizenden die uit de Japanse interneringskampen ontslagen werden, vervolgens kwamen na de onafhankelijkheid de KNIL-militairen en de oud-gouvernementsbestuurders terug naar Nederland. Een grote toeloop van migranten kreeg Nederland in 1957 toen de Indonesische regering onder president Soekarno besloot dat alle Nederlanders voor het eind van het jaar het land moesten verlaten. Op 21 december werd de staat van oorlog afgekondigd. De groep repatrianten bestond dus uit mensen voor wie er geen andere reden was om het land te verlaten dan de staatkundige uitwijzing.

Ik herinner me de gebeurtenissen en de verhalen van mijn ouders uit die tijd: de auto's in de straat waarop in kalkletters ""Hassa Belanda'' stond - ""Nederlanders Eruit''. En dat op de bussen van de schoolgaande blanke kinderen werd geschoten. Banden van de auto's in de Europese woonwijk lekgestoken. Die dingen. Een bus met vrouwen en kinderen in brand gestoken. Indonesië wilde na driehonderd jaar onafhankelijk zijn van het voormalige moederland en had daar, gezien de irrationele krampachtigheid van de politionele acties, reden toe.

De grote geschiedenis is abstract als ze niet wordt ingekleurd door de lotgevallen van enkelingen. Die enkelingen komen ruimschoots aan bod in Ik wilde eigenlijk niet gaan. Na het historische overzicht volgen korte, mondelinge getuigenissen van anoniem gebleven repatrianten. Ze zijn genterviewd op steekwoorden als angst, heimwee, afscheid, de eerste belevenissen in Nederland, de verwarring van het vertrek. Eigenlijk wist niemand toen wat er in Indonesië gebeurde en wat er te gebeuren stond in Nederland. Men ging volgens de "Op Hoop van Zegen'-methode. Afwachtend, berustend en met het eervolle verlangen er het beste van te maken.

De titel van het boek is ontleend aan de uitspraak van een vrouw, die zich op het moment van afscheid op de kade wilde verbergen en teruggaan naar haar Indische huis. Door het tumult van de vertrekkende boot, zou niemand haar meteen missen. Ze heeft nog altijd spijt dat ze niet in Indonesië is gebleven.

VOLKSVREEMD

Spijt, heimwee en vooral onthechting, het besef noch in Nederland thuis te zijn noch in Indonesië ooit opnieuw thuis te kunnen zijn, bepaalt de toon van de uitspraken. Iemand zegt: ""Nooit terug te kunnen gaan... Want dat hadden we echt afgesloten hè, toen we eenmaal aan boord gingen.'' Die verscheurdheid komt mooi tot uiting in een passage van Tjalie Robinson, een nog steeds veel te weinig gelezen schrijver die het verdient op de hoogte van iemand als Wilem Walraven in de literatuurgeschiedenis te staan. In zijn woorden: ""Ook al besef je ten volle eigenlijk op een emigrantenschip te zitten en dat je nu pas Indo-par-excellence bent: midden twee vaderlanden in en met vaag onderin het besef dat je in geen van beide vaderlanden welkom bent, omdat je immers voor beide volksvreemd bent. In Nederland omdat je te veel rare gewoonten hebt en niet direct passen kan in het sluitende sociale systeem, in Indonesië omdat je ondanks honderden, misschien wel duizenden persoonlijke vriendschappen, officieel ongewenst bent.''

Sentiment en analyse, weemoed en woede en ook hilariteit liggen dicht naast elkaar in dit boek. Er is een stuk van Rudy Kousbroek waarin hij het einde van de westerse koloniale periode vergelijkt met een ""grote verkleedpartij'' in Ataka, een plaats ergens aan de Rode Zee die hij nooit kon terugvinden. ""Daar was het dus, daar heeft dus de grote verkleedpartij plaatsgehad die van ons voorgoed Europeanen heeft gemaakt; het was goed beschouwd het laatste tableau in onze koloniale geschiedenis - we kregen twee stel lang ondergoed en een scheerkwast, het Italiaanse strijkje speelde een vrolijke mars, en dat was het eind. (...) Het heeft iets van de ondergang van de Titanic.''

Door de opmerkelijk vorm (oblong formaat) en de talloze foto's en tekeningen die Ik wilde eigenlijk niet gaan verrijken, wekt het de suggestie van een album. Hoe verschillend de albums van de tienduizenden repatrianten ook mogen zijn, ze zien er uiteindelijk allemaal hetzelfde uit. En hoe verschillend de redenen op het grote eilandenrijk om te repatriëren ook waren, variërend van de angst in de tijd van de onafhankelijkheidsstrijd (1945-'49) tot het bevel van Soekarno in 1957, het resulaat is voor de meesten gelijk: nergens thuis te horen, niet weten waar je woont, leven tussen twee vaderlanden of hoe al die innerlijke tegenstellingen ook heten. Zo'n album voedt de herinneringen.

Dat dit boek pas nu verschijnt, bijna vijftig jaar nadat de eerste repatrianten voet op Nederlandse bodem zetten, is minder opmerkelijk dan op het eerste gezicht lijkt. Het zijn de kinderen en vooral kleinkinderen van de repatrianten van toen die nieuwsgierig zijn naar het Indische verleden van hun familie. Ze verbazen zich over taalgebruik van ouders en grootouders, over erfstukken, over de fotoalbums met kiekjes uit een andere tijd en een voorbije wereld.

MYTHISCHE PROPORTIES

De mooiste vier bladzijden uit Ik wilde eigenlijk niet gaan zijn die met een homerische opsomming van alle driehonderd-en-een schepen die de schakel vormden tussen het moederland en het vaderland in de verte. Ieder voor zich zal bij de Kota-Inten, de Tjibadak, de Tosari en het Zuiderkruis herinneringen hebben. Al is het merendeel van die schuiten gesloopt, ze hebben mythische proporties aangenomen in de verbeelding van de repatrianten.

Zo vloog ons schip door de lucht, het was een Lockheed Elektra Super Constellation die op Oudejaarsdag van 1957 vertrok van het vliegveld Kemajoran. Het is in mijn wereld het mooiste en sierlijkste vliegtuig ooit gebouwd. Er staat een afbeelding in het boek van de aankomst van een vliegtuig op Schiphol op 6 januari. Het moet de Constellation zijn. Maar daar gaat het me niet om. Het is het gezicht van de Indische vrouw dat me intrigeert. Ze is bijna onderaan de trap. Op Nederlandse grond staat een stewardess. Met een mengeling van ingehouden pijn, verwondering en ook afkeer kijkt ze de stewardess aan. Ernaast staat de tekst: ""We kwamen op 6 januari 1958 aan op Schiphol. (...) Je voelde je armoeiig. Met je koffertje en je tropenkleren. Armoeiig. Koud.'' Het hadden haar woorden kunnen zijn. ""Armoeiig'' is precies het woord dat de gevoelens weergeeft van de repatrianten: er is hen iets afgenomen dat ze nooit zullen terugkrijgen.