De mensenrechten negeren, dàt is paternalisme

Er zal nog lang worden nagepraat over de vraag of de tweede wereldconferentie over de rechten van de mens, die van 14 tot 25 juni in Wenen werd gehouden, een positieve bijdrage heeft geleverd aan de verbetering van de mensenrechtensituatie in de wereld. Na de eerste week riep de secretaris-generaal van Amnesty International, Pierre Sané, gerriteerd uit dat het "een week van de schande' was geweest, "een week van politieke moorden'. Er was geen enkele aanwijzing, zei hij, dat de vele woorden die waren gewisseld, één geval van marteling of één politieke moord hadden weten te voorkomen. Daarin had Sané ongetwijfeld gelijk, maar het is de vraag of de waarde van een internationale diplomatieke conferentie aan een dergelijk hard criterium mag worden getoetst. Resultaten van dit soort conferenties laten zich meestal pas op veel langere termijn beoordelen.

De conferentie heeft trouwens ook op korte termijn wel positieve resultaten opgeleverd. Deze resultaten kunnen als volgt worden samengevat:

- het universele karakter van de rechten van de mens, dat althans vóór de conferentie sterk ter discussie stond, is opnieuw bevestigd;

- de ondeelbaarheid van alle mensenrechten, dat wil zeggen zowel politieke en burgerrechten als economische, sociale en culturele rechten als zogeheten "collectieve rechten', is opnieuw bevestigd;

- er bestond algemene overeenstemming over het grote belang van de versterking van de rechten van vrouwen en kinderen;

- het belang van de rechten van inheemse mensen ("people', niet "peoples') is bevestigd;

- de gedachte van de instelling van een Hoge Commissaris voor de Rechten van de Mens werd niet verworpen, zoals velen hadden gevreesd, maar zal "als een zaak van prioriteit' in de komende zitting van de Algemene Vergadering worden besproken;

- meer geld zal worden uitgetrokken ter versterking van het VN-Mensenrechtencentrum in Genève, al werd niet met zoveel woorden aangegeven waar dat geld precies vandaan moet komen;

- tenslotte werd ook het belang van de rol van niet-gouvernementele organisaties bij de bevordering van alle mensenrechten onderstreept. Niet minder dan 1500 niet-gouvernementele organisaties waren in Wenen vertegenwoordigd en vroegen daar aandacht voor vele vormen en aspecten van de mensenrechten en mensenrechtenschendingen.

Toegegeven: het blijven allemaal woorden en de tijd zal moeten leren wat er precies van al die woorden zal worden waargemaakt. Het belangrijkste was misschien nog wel dat de conferentie in ieder geval niet volledig is mislukt en dat men erin is geslaagd bij consensus een slotverklaring en actieplan aangenomen te krijgen. Dat leek velen, nog kort vóór en tijdens de conferentie, bijna onmogelijk.

De slotverklaring bevat een grote passage over het belang van het recht op ontwikkeling, maar nauwelijks iets over de relatie tussen de rechten van de mens en ontwikkelingssamenwerking. Toch heeft dit onderwerp een niet onbelangrijke rol gespeeld tijdens de conferentie. Een aantal landen, waaronder China, Singapore en Indonesië richtten zich in hun speeches tegen het stellen van voorwaarden op het gebied van de naleving van de rechten van de mens bij het verstrekken van ontwikkelingshulp. De Indonesische minister van buitenlandse zaken, Ali Alatas, wees uitdrukkelijk het leggen van een verband tussen de rechten van de mens en ontwikkelingssamenwerking van de hand: geen land of groep van landen, aldus Alatas, zou zich de rol van rechter, jury of scherprechter mogen aanmatigen over andere landen ten aanzien van dit kritische en gevoelige vraagstuk van gemeenschappelijke zorg voor de gehele internationale gemeenschap.

Het valt te betreuren dat van Westelijke zijde niet uitdrukkelijk stelling is genomen tegen deze en soortgelijke uitspraken. Hij staat niet alleen op gespannen voet met de ook door Alatas beleden universaliteit van de rechten van de mens (“De universele waarde van fundamentele mensenrechten en fundamentele vrijheden staat buiten kijf”) maar ook met de in de Slotverklaring opgenomen passage dat de bevordering en bescherming van alle mensenrechten een voorwerp van legitieme zorg is van de internationale gemeenschap. Daaruit zou men mogen opmaken dat alle landen het recht hebben zich uit te spreken over de situatie van de mensenrechten in andere landen, zoals ook Indonesië als lid van de internationale gemeenschap het recht heeft uitspraken te doen over de situatie van de mensenrechten elders.

Tegen deze achtergrond is het interessant kennis te nemen van de nieuwste editie van het Jaarboek over de Rechten van de Mens in Ontwikkelingslanden, dat tijdens de Weense conferentie werd gepresenteerd.* Dit jaarboek is het zesde in een reeks waartoe in 1985 door het Noorse Instituut voor de Rechten van de Mens op verzoek van de Noorse regering en het Noorse parlement het initiatief is genomen. In de loop der jaren hebben mensenrechteninstituten in Denemarken, Zweden, Finland, Canada en Nederland (het SIM) zich hierbij aangesloten. Het onderscheidt zich van het eveneens dezer dagen verschenen jaarboek van Amnesty International, doordat het naast de politieke en burgerrechten ook de economische, sociale en culturele rechten in de besproken landen in beschouwing neemt.

In het Jaarboek, dat tijdens de conferentie in Wenen werd openbaar gemaakt, worden, naast een aantal thematische studies, rapporten gepresenteerd over de mensenrechtensituatie in Guatemala, Kenia, Lesotho, Nepal, Peru, Vietnam en ook Indonesië en Oost-Timor. Er wordt op gewezen dat Indonesië heel weinig van de internationale mensenrechtenverdragen heeft geratificeerd en dat het zich nog steeds schuldig maakt aan ernstige schendingen van fundamentele mensenrechten, met name in Oost-Timor en Aceh. Deze informatie spoort met die in het nieuwe jaarrapport van Amnesty International. Ook de economische en sociale mensenrechten worden in Indonesië nog steeds onvoldoende gewaarborgd. Er is sprake van voortdurende uitbuiting van vrouwen, kinderen en migrerende werknemers. Ondanks de sterke economische groei blijft de algemene levensstandaard laag in vergelijking met die in de naburige landen, terwijl er nog steeds sprake is van een grote mate van corruptie.

Indonesië heeft vorig jaar de Nederlandse ontwikkelingshulp hooghartig van de hand gewezen, waarbij Nederland het verwijt kreeg van "roekeloos gebruik van ontwikkelingssamenwerking als instrument van intimidatie en als werktuig ter bedreiging van Indonesië'. Nederland, en met name minister van ontwikkelingssamenwerking Pronk - is toen nogal eens het verwijt van paternalisme naar het hoofd geslingerd, een verwijt dat ook bij velen hier te lande gehoor heeft gevonden. Dat is een merkwaardige gedachtengang, aangezien niet Nederland, maar Indonesië zich schuldig maakt aan schendingen van de mensenrechten. Het niet aan de orde stellen van de mensenrechtensituatie aldaar zou pas van werkelijk paternalisme getuigen. Het wordt tijd voor Indonesië de hand in eigen boezem te steken en te kijken wat het zelf aan verbetering van de mensenrechtensituatie kan doen. Lezing van de zojuist verschenen rapporten kan daartoe aanbeveling verdienen.

Diegenen ten slotte die mochten menen dat economische ontwikkeling dient te gaan vóór respect voor de rechten van de mens, kan lezing van paragraaf 6 van de Weense slotverklaring worden aanbevolen: “Het gebrek aan ontwikkeling mag niet worden aangevoerd om de beknotting van internationaal erkende mensenrechten te rechtvaardigen”. Ook die passage is bij consensus door de conferentie aanvaard.

* Bard-Anders Andreassen and Theresa Swinehart (red.), Human Rights in Developing Countries; Yearbook 1993, Oslo: Nordic Human Rights Publications, 1993.