Bouwmans, de belofte die niet wordt ingelost

MARSEILLE, 17 JULI. Benen als een landkaart van de Pyreneeen. Rode, blauwe kronkellijntjes. Paarse meren. Roze kloven. Gestolde wonden van een oorlogsveteraan. Met ontbloot onderlijf ligt hij op de massagetafel van de verzorger. Tussen zijn benen kuis een handdoek.

Vijfentwintig jaar, en nog steeds de onschuld niet verloren. Blond donshaar op zijn bovenlip. Ooit gold hij als Nederlands grootste wielerbelofte. Misschien zelfs dit seizoen nog. De vaderlandse hoop voor de toekomst. Maar dat was voor de Ronde. Voor de Alpen. Een eeuwigheid terug. Eddy Bouwmans uit Gemert. Gekoesterd door Peter Post, zijn technisch directeur. Beschermd door zijn ploegleider Walter Planckaert. Een jongen waarop je zuinig moest zijn. Die je niet over de kling moest jagen. Geleidelijk en in stilte zou hij groeien tot een ongekende hoogte. Bouwmans moest je laten rijpen als een goede wijn. Twee jaar geleden vond Post hem nog te jong en te bleu om in de Tour de France starten. Dat zou te zwaar zijn voor de laatbloeier Bouwmans, die pas op zijn achttiende met koersen was begonnen. Maar bij zijn debuut vorig jaar kon hij tonen wat hij waard was. En hij klom mee met de besten. Alleen in het tijdrijden bleef hij nog ver achter bij de favorieten. Maar hij was nog jong. De beste van de jonge renners. Veertiende in het eindklassement.

Dit jaar had hij op een tiende plaats gemikt. Dat zegt hij met trillende oogleden en schuivende kaken. En niet omdat de soigneur net zijn billen bewerkt. Een gekromde rechterhand, de palm naar boven, vingers gespreid, drukt vertwijfeling uit. Hij schaamt zich, Eddy Bouwmans. In die schaamstreek van Frankrijk, de regio Marseille. Hij schaamt zich voor de ploeg die toch op hem vertrouwd heeft. Nog kankert niemand in het openbaar. Nog maken ze achter zijn rug geen vunzige gebaren. Maar hij heeft hun koele blikken aan het ontbijt wel gevoeld. En hij schaamt zich voor zijn peettante en zijn moeder, die hem donderdag in Isola 2000 hebben opgewacht. Dat hij met ruim 24 minuten achterstand de finish passeerde, hij weet wel dat het hen niks kon schelen. "Ze vinden het al prachtig dat ik aan de streep kom. Dat ik niet in een ravijn lig." Maar hij wil toch dat ze trots op hem zijn. Hij schaamt zich nog het meeste voor zichzelf. Vedette in spe. Elk jaar sterker. Maar al in de eerste de beste bergrit had hij dertieneneenkwart minuut verloren. "Toch het terrein, waar ik het moet maken. Dan baal je van jezelf."

De soigneur glijdt met de vingers over zijn achillespezen. Eddy Bouwmans verbijt zich. Het gelaat een grimas. Toch voelden zijn benen "niet echt slecht", bezweert hij. Ook niet de vorige dagen. "Ik rijd alleen niet goed." Alsof hij inpraat op zichzelf: "Ik kan mezelf niks verwijten. Ik heb gedaan wat ik kon. Ik kon niet beter." Al heeft hij in die tweede Alpenrit op het laatst niet meer voluit gereden. "Het klassement kon ik toch al vergeten. Of ik dan op 15 minuten binnenkom, of op 24 minuten, dat maakt voor mij geen verschil:" Als hij maar wist waar het aan lag. Dat heeft voortdurend door zijn hoofd gemaald. Waarom kon hij vorig jaar zo moeiteloos mee? Waarom legt hij het dit keer zo jammerlijk af? Vorig najaar in de Ronde van Engeland heeft hij eerst zijn rechterknie gekwetst. In het voorseizoen in de Grand Prix Cholet-Pays de Loire, viel hij prompt op zijn andere knie. Maar al bezorgde dat hem een forse trainingsachterstand: nee, aan die knieen schort het niet.

Het zit hem ook niet in zijn bloed. Hij is vorige week nog onderzocht. "Uitslag perfect. Maar er moet toch iets zijn wat niet goed is? Anders rijd ik toch niet als vaatdoek." Hij kreunt: de zolen van zijn voeten worden woest gemangeld. Met ijle stem vervolgt hij: "Deze inzinking zal toch wel tijdelijk zijn?" Misschien krijgt hij in de Pyreneeen nog een kans, zegt Bouwmans met de moed der wanhoop. Hij staat nu zo ver achter. Ze zullen hem eerder laten gaan. Zoals hij zich gisteren voelde, zijn dat de dagdromen van een doordouwer, hij weet het. "Eerst moet ik de oude zijn."

Bouwmans, een belofte die ook dit jaar niet wordt ingelost. Al blijft Planckaert met een hondse trouw in hem geloven. "Geef hem toch de tijd, die jongen." Maar zijn tijd die verstrijkt.