Wie schrijft, blijft tot hij verzuurt

Uit het proefschrift van Jacqueline Bel over de Nederlandse literatuur in het fin de siècle blijkt dat van de vele honderden romans die tussen 1885 en 1900 werden gepubliceerd slechts een paar nog in onze herinnering voortleven en dus zijn gecanoniseerd tot karakteristieke kern van die periode.

En de schrijvers daarvan leven niet voort als auteur van een groot en meeslepend oeuvre maar als auteur van een enkele roman, die nu nog de moeite van het lezen waard is. De vier schrijvers die ook nu nog op onze waardering kunnen rekenen - en die waardering betekent in de eerste plaats dat wij vinden dat men hun naam moet kennen - zijn Couperus, Emants, Van Eeden en Van Deyssel. In iets mindere mate misschien nog Daum en Paap. De rest van al die schrijvers is vergeten, althans door de meesten van ons. Uit het proefschrift blijkt ook dat de reputatie van die paar schrijvers al vrij snel was gevestigd. Slechts een enkeling werd in de loop der jaren herontdekt. Daum bij voorbeeld. Maar net als bij een wielerwedstrijd lijkt ook in de literatuur te gelden, dat je slechts met een bovenmenselijke inspanning een achterstand ongedaan maakt die je aan het begin van je carrière hebt opgelopen.

Ik zou niet willen beweren dat die vergeten schrijvers niet interessant zijn. Anna de Savornin Lohman veroorzaakte met haar sleutelroman Vragensmoede een schandaal omdat zij daarin een schokkend en ontluisterend beeld schetste van Abraham Kuyper en andere grootheden uit het anti-revolutionaire milieu, waarin ook haar vader een dominerende rol speelde. Maar wie kent haar nog? De vraag die mij nog het meeste bezig houdt, is of je op enige zinvolle wijze kunt zeggen dat alle moeite die zij zich gaf dus tevergeefs was, want zij is als schrijfster niet gebleven. En het was toch ook haar beloofd: wie schrijft, blijft. De werkelijkheid is dus anders. Van de meeste schrijvers zal zelfs geen materieel spoor achterblijven door de slechte kwaliteit van het papier. Als je niet de moeite waard gevonden wordt om door herdruk op herdruk te overleven, overleef je dus niet.

Is dat erg? Is het iets dat je moet zien te vermijden? Thans kent Nederland honderden schrijvers. Van de meesten heeft niemand ooit gehoord en dat zal altijd zo blijven. Van welke schrijvers zou je kunnen zeggen, dat hun werk, of een bescheiden onontkoombaar element eruit, over honderd jaar nog op enige bekendheid kan rekenen. Ik heb wel mijn voorkeurslijstje, maar het meest bevreemdende daaraan is eigenlijk dat ik het heb. Waarom acht ik het van waarde een oordeel te hebben, wie het verdient om te blijven. Waarom vind ik van anderen dat men ze mag vergeten. En waarom zeggen wij dat niet meteen, zodat al die schrijvers die voor de vergetelheid worden genomineerd, de gelegenheid krijgen naar iets anders uit te zien. Ik durf er mijn hele inkomen onder te verwedden, dat de publikatie van een lijstje van vijf blijvende schrijvers, die vijf schrijvers zal strelen en dat al die anderen zich een moment verongelijkt en miskend zullen voelen. Wat een idiote situatie is, want over honderd jaar zal er niemand meer aanwezig zijn om van de overleving een moment te genieten. Dus, waarom daarvan een probleem gemaakt.

Wat voor de literatuur geldt, geldt voor de cultuur en zelfs voor de nog resterende natuur in het algemeen. Wennen aan de vergankelijkheid zal ons nooit lukken, ook al belijden wij persoonlijk de ultieme bescheidenheid. Wie zich zelf niet op de voorgrond dringt, neemt het op voor de olifant, de oude schrijfmachine, het blikken speelgoed, de brieven van Gerard Reve, het boodschappenlijstje van Ludwig Wittgenstein, de grachtengordel, de sigarepeuk van Willem Kloos, het regenwoud en wat niet al. Op een gegeven moment lijkt alles weer de moeite van het behouden waard. Misschien komt het door de secularisatie. Nu een oppassend leven ons niet langer de eeuwigheid in het vooruitzicht stelt, willen wij onze vergankelijkheid enigszins oprekken. En nu bewezen is, dat ons bestaan op aarde een blinde schakel in een chemische reactie is, willen wij onze tijdspanne althans enigszins zinvol besteden. Ook in de wetenschap gruwt men van de vergankelijkheid en zinloosheid. Nergens kan je een onderzoeker zo beroerd mee maken als met de observatie dat al die jaren van intellectuele inspanning niets hebben opgeleverd. Want die onderzoeker weet net zo goed als u en ik, dat het verborgen oordeel daarin is, dat zijn onderzoek niets blijvends heeft opgeleverd en dus naar de sacrosanct geachte maatstaven van ons allen, tevergeefse moeite was. Niemand kan er mee leven dat het uiteraard vergeefs maar toch wel leuk was. Niemand kan zich erbij neerleggen dat de uitspraak "Hij heeft voor niets geleefd' een alledaagse gemoedelijkheid is, als die uitspraak of haar ontkenning al enige betekenis heeft. Wat ik persoonlijk betwijfel. Niemand wil die krankzinnige uitspraak op zijn graf hebben staan, want wat moeten de bezoekers van het aangrenzende graf daar niet van denken. De illusie dat het anders is, dat men wel degelijk een blijvende bijdrage kan leveren aan de tijd waarin men leeft, is het geheim van het menselijk bestaan. Misschien dat alleen een boeddhist het illusoire karakter ervan onder ogen durft te zien. Maar die doet weer zo weinig van blijvende waarde en kent het behoud niet als lofwaardig streven. Er is geen boeddhistisch cultuur- of natuurbeleid, dat het onze in organisatorische toewijding kan overtreffen. De illusie lijkt mij eigenlijk een zegen. Laten wij zeggen dat onze strijd tegen de vergankelijkheid het psychologische fundament van de beschaving is. Het kan niet zo zijn dat wij ons dood zouden generen, als onze achterkleinkinderen zouden moeten constateren dat tijdens ons leven de walvis is uitgestorven. Want op het moment van gêne zijn wij er niet meer. Maar alle denkbare beschamende momenten in de toekomst, vormen de kritiek op onze eigen tijd. Zorgen om onze eigen tijd klinkt zo egostisch, dat wij onze preoccupaties graag op de toekomst projecteren. Het is trouwens de vraag of wij dat anders zouden kunnen. Hoe dan ook, het is ons vreemde tijdsbesef en ons verzwegen inzicht in vergankelijkheid, dat ons eerzuchtig en behoudend maakt.