We leerden kaffer zeggen voor we konden bidden; Theater in Zuid- Afrika

Het Grahamstown Festival is de barometer van een land dat niet weet waar het heen gaat. Kunst om de kunst is in Zuid-Afrika nog steeds taboe, theater fungeert als therapie voor de gewonde samenleving. “Het doel van theater moet zijn: de sluiers wegnemen.”

In Grahamstown is het niet gelukt de zwarten van het netvlies te weren. Bij andere stadjes wonen ze achter een heuvel, uit het zicht. Hier staart de werkelijkheid de blanken in het dal vanaf de heuvel aan. De eerste laag die ze zien zijn de nette huisjes van de kleurlingen, een rij hoger liggen de grauwe blokjes van het zwarte township en tegen de top de krotten van de kanslozen die het laatst arriveerden.

Dit is het verhaal van Zuid-Afrika, het Something Out There van Nadine Gordimer, in één beeld gevangen. Het Grahamstown Festival kon zich geen beter decor wensen. Eens per jaar komt hier in de maand juli alles bijeen wat zich in Zuid-Afrika tot de kunsten rekent: een symfonieorkest, het gevestigde blanke toneel en tientallen theatergroepjes die op universiteiten of in garages in de townships zijn ontstaan. In theaters en omgebouwde gymzalen kan een vooral blank publiek tien dagen lang zowel Shakespeare's Anthony en Cleopatra en Madame Butterfly zien als, om maar wat te noemen, Molière in het Xhosa, stukken over de gevangenen van Robben Eiland, een blanke zwerver in een zwart squatter-kamp, de wederopstanding van Adolf Hitler en uitgebuite vrouwen in Soweto. Vaak is het middelmatig, soms is het roerend. Meestal raakt het die werkelijkheid van het dal en de heuvel.

Het festival van Grahamstown, gelegen in de oostelijke Kaapprovincie, is de barometer van een land dat niet weet waarheen het gaat. Het theater is net zo in verwarring na de apartheid als de rest van de samenleving. De veilige duidelijkheid van de jaren zeventig en tachtig is verdwenen. Het gevestigde toneel bleef toen ruim gesubsidieerd binnen de normen van de censuur of vluchtte in het blijspel van overzee. Het alternatieve toneel was het schreeuwplatform van politiek protest en zwart lijden. Nu worstelt de theaterwereld met vragen: moet al het geld straks naar het zwarte vormingstheater, is in de grote culturele mengbeker een "eigen' Zuidafrikaans theater te creëren, en kàn Europese opera nog wel in het nieuwe Zuid-Afrika? Intussen speelt blank de schuld van zich af en zoekt zwart naar zijn wortels in Afrika.

Op het toneel staat een Afrikaans dorp. Een hut, kruiken, vazen, schalen en maskers - de kraal in de bruinrode kleuren van de Afrikaanse aarde. De 25 acteurs liggen om het toneel geknield voor de hut. Twee uur lang gaat het Sibikwa Community Theatre in een soort opera (Ubuntu Bomhlaba) op zoek naar de spirituele wereld van Afrika, met haar rituelen en de geesten der voorvaderen. De hoofdrolspelers, twee broers, worden gedwongen in hun keuze voor twee strijdende groepen uit elkaar te gaan. Het stuk mondt uit in een gezongen oproep tot eenheid en verzoening.

Een vergelijking met het zwarte geweld tussen twee facties (ANC en Inkatha) ligt voor de hand, zeker bij een theatergroep uit het township Daveyton, ten oosten van Johannesburg. De acteurs, tussen 16 en 26 jaar, zijn natuurtalenten van de straat, die in acht maanden tot verbazingwekkende prestaties zijn gekomen. Dat juist deze acteurs, die waarschijnlijk nooit een kraal van dichtbij hebben gezien, terugkeren naar het Afrikaanse oerbestaan van het dorp en de hechte gemeenschap, is veelzeggend. Voor de meeste zwarten in Zuid-Afrika is het een verdwenen wereld. De trek naar de steden is hier groter dan waar ook in Afrika en het gemeenschapsleven is uit elkaar gescheurd door de migratie-arbeid in de mijnen.

Ubuntu is definitief post-apartheidstoneel, weg van het politieke schema dat bijvoorbeeld de wereldwijd geroemde township-theaterhit Sarafina zo voorspelbaar en vervelend maakte. Grahamstown had dit jaar drie "terug naar Afrika'-stukken op het programma wat een criticus deed uithalen naar blanken die de nobele wilde weer van stal halen. Maar Ubuntu is een poging van zwarten zelf om een zwarte identiteit in Zuid-Afrika te definiëren, zonder verheerlijking of politieke bijbedoelingen. Het is opvallend dat daarbij altijd ubuntu als houvast dient, in het theater, maar ook onder zwarte zakenlieden, politici en journalisten. Ubuntu is een niet te vertalen term voor een Afrikaans humanisme, met een sterk accent op de gemeenschap: een mens kan alleen bestaan door andere mensen. Die geest is in veertig jaar apartheid aangetast en dreigt te verdwijnen in het voortdurende geweld. De zwarte intelligentsia bepleit een herleving van ubuntu om de samenleving te genezen.

Smal Ndaba, schrijver en regisseur, leidt de theaterschool voor drop-outs in Daveyton. Zijn bedoeling was een stuk te schrijven over een verloren gegane cultuur. “Ik nam ubuntu als thema omdat we het missen. Het is door het geweld onvindbaar geworden. Vroeger konden we 's avonds de straat op, nu durft niemand meer. Ik wilde een stuk brengen over de psychologie van het geweld en een ander soort leven schetsen. Zo kwam ik uit op het dorpsleven dat we niet meer kennen, om te laten zien wat vrede en tolerantie is.” De tijd van het politiek theater is voorbij, meent Ndaba. “Er zijn zoveel proteststukken in de townships opgevoerd. De mensen zijn moe geworden van het vingertje wijzen.”

Eurocentrisch

Het festival van Grahamstown heeft zich de kritiek van de jaren tachtig aangetrokken. Toen verspreidden toneelmakers pamfletten op straat, met de aanklacht dat het festival te Eurocentrisch was. De enkele zwarte acteur die mocht optreden werd in restaurants geweigerd. Nu wemelt het van het zwarte community theatre, dat onder een nieuw kunstbewind de toekomst lijkt te hebben, maar in kwaliteit het obligate scholierentoneel vaak niet ontstijgt. Het kan niet anders, in de flude fase waarin het toneel zich bevindt. De theaterscholen hebben maar mondjesmaat zwarte acteurs opgeleid. De inhaaloperatie moet nu gebeuren via het vormingstheater in de townships.

Het barricadetoneel mag zijn langste tijd hebben gehad, de politieke lading ontbreekt in vrijwel geen enkel stuk. Kunst om de kunst is nog steeds taboe in dit zwaar gepolitiseerde land, waar het theater nauwelijks op kan tegen het real life-drama. De boodschap wordt meer verhuld. De agit-prop verdwijnt naar de achtergrond. Intussen denken de pioniers van het alternatieve toneel met lichte heimwee terug aan de jaren zeventig en tachtig, toen de acteurs het onrecht van de planken schreeuwden. Het was een strijd tegen de gevestigde orde en tegen de censuur. Je voerde een toneelstuk op in de achtertuin van een politieke activist in Soweto, die veroordeeld tot huisarrest vanuit zijn raam kon toekijken. Het was ook een permanente strijd om geld - een lunch met de cultureel attaché van de Duitse of Zweedse ambassade kon het voortbestaan van je theatergroep betekenen. Nu kijkt het alternatieve toneel hoopvol naar de functionarissen van het culturele departement van het ANC, die straks de subsidies onder een zwarte regering zullen verdelen.

“We hadden een duidelijk doel, en dat is weggevallen,” zegt Barney Simon, schrijver, regisseur en artistiek leider bij het Market Theatre in Johannesburg, dat de bakermat was van het artistieke verzet tegen de apartheid. “Blank was slecht, zwart was goed. We hebben ontzettend slecht propagandatheater gemaakt, maar het was nodig. Nu ligt het allemaal veel ingewikkelder. We hebben het probleem van niet opgeleide zwarten en slecht opgeleide blanken. Het racisme is gebleven, maar nu hebben we ook verklaarde zwarte racisten. Wat dat betreft is onze taak hetzelfde: we moeten het inlevingsvermogen in mensen aanwakkeren. Ik geloof in cultuur als tegengif voor veel kwalen in de samenleving. We moeten de schade opnemen en overwegen wat we moeten repareren. We moeten ons eigen leven opnieuw onderzoeken.”

Afrikaners

Het blanke toneel was vol van zelfonderzoek. Met een rauwe eerlijkheid onderzoeken Afrikaners hun rol in het nieuwe Zuid-Afrika als erfgenamen van de onderdrukkers. Hoe kunnen ze zich verzoenen met Afrika? Waar passen ze als minderheid? Het meest beklemmende voorbeeld was het stuk 'n Koffer in die Kas van Jeanne Goosen, gespeeld door Sandra Prinsloo, een van de meest vooraanstaande actrices van Zuid-Afrika. Na een lange loopbaan brak zij met het establishment-toneel om voornamelijk controversiële stukken op te voeren.

Koffer gaat over de (on)mogelijkheid van communicatie tussen blank en zwart. Een alleenstaande vrouw komt thuis in haar flat. Een zwarte inbreker die er aan het werk is, verbergt zich in een kast. De kast valt om, de inbreker zit opgesloten en de vrouw probeert in een monoloog van een uur contact te maken met de man in de kast, terwijl ze langzaam dronken wordt. Ze praat, fluistert, huilt, schreeuwt en bekent - maar wat ze ook probeert, uit de kast komt alleen een verpletterende stilte. Ze roept uit: “Praat, kaffer, praat”!, en voelt zich betrapt in haar racisme. Ze verontschuldigt zich: “Wij leerden kaffer te zeggen, voordat we konden bidden.” Ze praat haar twijfels over het nieuwe Zuid-Afrika van zich af. “Hoe moeten wij hervormen zonder een ziel? Die hebben ze bij de geboorte van ons afgepakt (-). We hebben een nieuwe taal nodig, een taal van rouw.” Het land maakt haar wanhopig, omdat alles onder de oppervlakte blijft, wat erger is dan oorlog. “Dit is erger dan Sarajevo. Dit is een uitputtend land.” Maar de zwarte zegt nooit iets terug. Aan het einde, wanneer ze zich letterlijk blootgeeft, loopt hij weg. Contact is onmogelijk gebleken.

Het stuk brengt wat teweeg onder de Afrikaners in de zaal. Naast mij veegt een oudere vrouw haar tranen weg. Iemand roept de zwarte toe dat hij niet moet weglopen. Anderen verwerpen het stuk, omdat er te veel in wordt gescholden. De emoties verbazen Sandra Prinsloo niet: “Het stuk stelt een aantal gevaarlijke vragen, waar wij als blanken liever voor schuilen. Het is schokkend in zijn eerlijkheid. Hoe moet de Afrikaner zijn verleden verwerken? Kunnen blank en zwart wel communiceren, of is er al te veel schade aangericht? In de kunstwereld zijn we bevoorrecht, daar kunnen we vrij makkelijk communiceren, maar bij de mensen in de straat verandert alles maar heel langzaam. De wet is geschrapt, maar de werelden zijn nog gescheiden. Het doel van theater moet zijn: de sluiers wegnemen. We hebben een zuivering nodig, vooral in zo'n hopeloos land als het onze, met zo veel leugens van alle kanten.”

Onpeilbaar

Erger dan Sarajevo? “Niet letterlijk misschien, maar de situatie is hier zo onpeilbaar. Na de vrijlating van Mandela hebben we twee dagen feest gehad. Toen ging alles weer terug in de pot en pruttelde door. Er is hier geen oorlogsfront, maar er zijn hier zoveel fronten.” Prinsloo vindt de conclusie van het stuk - geen contact tussen zwart en blank - niet per se pessimistisch. “We kunnen niet zonder elkaar, en misschien ook niet met elkaar. Maar we moeten als blanken eigen antwoorden zien te vinden. Het is belachelijk nu een antwoord te verwachten van zwarten.”

Zo zoeken en tasten zwart en blank theater afzonderlijk naar hun nieuwe identiteit. Vooralsnog lijkt het theater een therapie voor een gewonde samenleving. Maar heeft de samenleving er wel behoefte aan? De zalen zijn leeg. Onder de zwarte bevolking bestaat geen traditie om naar het theater te gaan, dat bovendien ver weg is en duur. De blanken verschansen zich uit angst voor geweld en criminaliteit thuis op de bank en huren een video. De blanke liberals die nog niet zijn geëmigreerd, voorheen de belangrijkste doelgroep van het toneel, lijken te moe voor weer een avondje Zuidafrikaanse dilemma's. De theaterdirecties breken zich het hoofd over hun voortbestaan. Barney Simon, boegbeeld van het alternatieve toneel, ging onlangs een avond op stap met het bestuur van zijn Market Theatre. Ze troonden hem mee naar een theater even buiten Johannesburg. Het zat stampvol voor Ticket to Ride, een show met liedjes van de Beatles. Er was geen zwart gezicht te zien. Ja, geeft Simon toe, dat was een droevige avond.