Vroeger en nu

In 1961 was Sandbergs Stedelijk Museum het toneel van een van die tentoonstellingen die ik tot de categorie openbaringen reken.

Onder de titel Vier Amerikanen hing daar - ik veronderstel voor het eerst in Nederland - een grote hoeveelheid pop art; werk van Roy Lichtenstein, Claes Oldenburg, Robert Rauschenberg en James Rosenquist. Er zal wel eerder Pop Art te zien zijn geweest, er was ongetwijfeld al het een en ander over geschreven maar hier verschenen de schilders met hun werk in vol ornaat. Door de hoeveelheid, hun eenheid van blik en de verscheidenheid binnen die grens werd het pas duidelijk dat er iets nieuws van betekenis was ontstaan. Ik weet nog goed dat ik paf stond, wel drie keer door de zalen ben gelopen en daarna nog twee keer teruggegaan. Hetzelfde is me trouwens omstreeks dezelfde tijd bij Bewogen Beweging overkomen.

Nu is in het Whitney Museum of American Art een grote tentoonstelling, Hand-Painted POP, American Art in Transition 1955-62, (tot 10 oktober) waar het werk van 21 kunstenaars bijelkaar is gebracht; 117 stukken en dus nog geen "blockbuster', niet het soort overweldiging waardoor je eerder verdoofd dan door kunstgenot gesterkt en altijd te laat weer de buitenlucht bereikt. Wat ik me van de eerste keer, 32 jaar geleden herinner, kwam onverminderd terug: het gevoel dat hier het wachten op was geweest. Het verschil met toen is dat natuurlijk de verrassing eraf was en dat ik in plaats daarvan het gevoel kreeg, bij iets dierbaars op bezoek te zijn, en weer kon ik er niet genoeg van krijgen.

Bijna al dit werk - ook van Andy Warhol, Jasper Johns, Edward Rusha, Jim Dine, enz. - is zo vers als toen het werd geschilderd, maar wat is de blik waardoor toen hun verbeelding werd bepaald, de blik van bijna veertig jaar geleden, intussen tot pasmunt in de schilderkunst geworden. Hoeveel geknutsel hebben ze veroorzaakt, hoeveel fröbelwerk hebben ontelbare vondstenaars in hun kielzog gefabriceerd. Zo'n retrospectief is niet alleen een weerzien met de grondleggers. Terloops maar onvermijdelijk identificeer je veel van wat in hetzelfde genre is gemaakt als geringer of gewoon als radeloze tot onbeschaamde namaak.

Deze tentoonstelling geeft dus een mooi beeld van een geheel - al heeft de kritiek intussen de zwakke kanten aangegeven; en ja, waarom is er niets van Kienholz te zien. Maar ik vind dat een gering bezwaar, vooral omdat er weer een groot voordeel tegenover staat, namelijk een vraag. Hoe komt het dat toen een aantal kunstenaars, onafhankelijke talenten, juist op die manier aan het werk is gegaan waardoor weer juist dit geheel is ontstaan. Dat is de vraag die we achteraf altijd stellen nadat we ontdekt hebben dat er een school, een richting, een nieuwe samenhang is ontstaan. Ook in deze degelijke catalogus met acht essays van deskundig gehalte worden we verwezen naar de tijdgeest.

De inrichters van de tentoonstelling zijn nu op een goed idee gekomen. In een apart kamertje is een aantal niet artistieke sporen van deze tijdgeest verzameld: voorpagina's van kranten met de markante gebeurtenissen, zoals de arrestatie en de terechtstelling van Julius en Ethel Rosenberg (destijds beroemde atoomspionnen), de nominatie van John Kennedy tot kandidaat voor het presidentschap, en het beste van allemaal, een televisiemonitor waarop president Kennedy te zien en te horen is terwijl hij in Berlijn zijn beroemde rede houdt: Ich bin ein Berliner.

Wat is het verband tussen Pop Art, de welvaart en de zelfverzekerdheid van de Eisenhower-periode, de broeiende onvrede die daarvan een bijverschijnsel was, de fabuleuze opkomst van John Kennedy, de wending in de Koude Oorlog met de Berlijnse crisis, Castro's geslaagde opstand, alles wat in het begin van de "jaren zestig' is gebeurd en wat dit tijdperk het legendarische heeft gegeven dat we er nu nog aan toekennen?

Zelfs nadat ik alles had gezien, en de krantekoppen gelezen en Kennedy's Berlijnse toespraak had gehoord - die de tand des tijds heeft doorstaan - wist ik het niet.

De tijdgeest is een raadsel, vooral als we zelf die geest met de tijd delen. Misschien dat later een toespraak van President Clinton als achtergrond bij de schilderijen en installaties die nu worden gemaakt, het antwoord geeft.