Vrijdag 16; Museumles

Om de museumlessen zou ik zo weer elf jaar willen zijn. Ik heb geen herinnering aan een andere gebeurtenis waarbij er zo zeer "een wereld open ging' als bij mijn eerste bezoek aan het Stedelijk Museum, onder leiding van de deskundige die de lessen gaf en die een achteraf gezien waarschijnlijk nogal jonge vrouw was die streng aandacht vroeg voor wat er te zien was.

De eerste les heb ik maar één schilderij gezien, van Breitner, de Dam in de regen. Paardentrams, glimmende lichtjes in de natte keien, gloeiende lampen achter ruiten en dat alles van verf, want dat zag ik heus wel, dat het niet zo heel netjes geschilderd was. Het was de volmaakte weergave van een donkere regendag in de stad. Ik hield van stadse donkere regendagen en op dat schilderij zag ik waarom.

De museumlessen bestonden uit een "modern', dat wil zeggen Stedelijk Museum, gedeelte en een "historisch', het Rijks. In het Stedelijk keken we naar Willem De Kooning en leerden houden van zijn zonsopgangen en vooral van zijn "krankzinnige wijven' zoals de meester van de andere groep die noemde. Veel meisjes, ik ook, zagen wat in de sprookjesachtige schilderijen van Chagall (het was een schok om veel later Gerard Reve's gedicht "Liever niks' te lezen: “Als ik een doek van Chagall zie,/ zie ik terstond een juffrouw met knotjeshaar/ die zegt jongens en meisjes dit is dus/ wat de schilder als het ware droomt met zijn geestesoog”). We moesten werkstukken maken en hingen eindeloos voor de Van Goghs en na afloop van de museumlessen kregen we te horen dat er voor scholieren een goedkope museumkaart bestond waarmee je altijd gratis in het museum mocht. Ha! Helemaal alleen in die enge bar van Kienholz waar het zo geheimzinnig zoet rook, alleen je eigen voetstappen over het krakende parket horen, ja, dat wilde ik wel. Mijn vriendinnen ook natuurlijk. Jarenlang bij elk regenbuitje naar het Stedelijk geweest, Griekse woordjes gingen we daar in de bibliotheek leren want daar was het zo stil (en daar mocht je toen als veertienjarige gewoon gaan zitten) en als we ze kenden dwaalden we nog even door de zalen. Het museum had voor ons een bijzonder lage drempel. Dankzij de museumlessen.

En nu vinden sommige Amsterdamse deelraden het niet meer zo nodig dat kinderen die dat willen ook daadwerkelijk naar het museum gaan. Dat geld kan ook aan andere, nuttige, dingen besteed worden. De deelraden vinden het niet belangrijk dat de ogen eens een keer opengaan voor iets anders dan het aardrijkskundeboek of de meester die vertelt over Karel V. Of dat leerlingen eens van dichtbij zien wat dat eigenlijk voor dingen zijn, schilderijen. Dat Rembrandt niet alleen een naam is bij een plaatje, maar een naam bij zoiets gloeiends roods en heerlijks als het Joodse bruidje.