Ter overdenking

IN 1974, het tweede jaar van het kabinet-Den Uyl, bedroegen de belasting- en premiedruk respectievelijk 27,7 en 18,4 procent van het nationale inkomen.

Twintig jaar later, in het laatste volle begrotingsjaar van het kabinet-Lubbers/Kok, leggen de belastingen beslag op 32,1 en de premies op 19,7 procent van de nationale economie*. In de tussenliggende periode is onder wisselende kabinetten met CDA, PvdA, D66 en VVD de collectieve lastendruk gestegen van 46,8 tot 53,0 procent. Ondanks deze lastenstijging - die in absolute bedragen nog veel groter uitvalt omdat de economie in omvang is toegenomen - is het financieringstekort van 1993 groter dan in 1984. Teruggaan naar de tijden van Den Uyl betekent lastenverlaging en uitgavenvermindering.

Kok heeft als minister van financiën niet alleen zeggenschap over de uitgaven, hij is ook minister van inkomsten. Op dat terrein kan hij zijn politieke sporen verdienen. Na het PvdA-verzet tegen de belastinghervorming volgens het plan-Oort aan het einde van de vorige kabinetsperiode, heeft Kok oktober vorig jaar de BTW verlaagd, maar zich verder nog niet met de fiscale tarieven bemoeid.

TWEE ELEMENTEN spelen in de discussie over belastingverlaging in Nederland een verstorende rol. Ten eerste heeft het Centraal Planbureau (CPB) in zijn traditionele rekenmodel het positieve effect van belastingverlaging op economische dynamiek en werkgelegenheid jarenlang verwaarloosd. In een nieuw CPB-model, MIMIC, pakt dat anders uit. Daaruit blijkt dat bezuiniging en een gelijktijdige verlaging van de inkomstenbelasting leidt tot vergroting van de nationale welvaart en tot banengroei.

Ten tweede had het begrip "inverdieneffect' jarenlang een ongunstige klank. Oud-minister Ruding had het dan ook uit het Haagse spraakgebruik verbannen. Op goede gronden, want "inverdieneffect' was eind jaren zeventig de theoretische rechtvaardiging om steeds meer uit te geven in afwachting van extra opbrengsten die altijd uitbleven. Maar dat bij belastingverlaging wel degelijk sprake kan zijn van inverdieneffecten, is daardoor te lang genegeerd.

De ambtelijke studiegroep begrotingsruimte heeft kort geleden voor de volgende kabinetsperiode de richting aangegeven voor lastenverlaging, vermindering van het financieringstekort en bijbehorende bezuinigingen. Wanneer deze aanbevelingen worden overgenomen - en als minimale inspanning valt daarvoor alles te zeggen - gaat de gemiddelde lastendruk in 1998 twee procentpunt omlaag en bedraagt het financieringstekort 1,75 procent van het bruto binnenlandse produkt. Tegen het einde van de eeuw heeft Nederland dan eindelijk, na zo'n twintig jaar geworstel, zijn overheidshuishouding op orde en kan Den Haag overgaan op een gezond begrotingsbeleid.

AANPAK VAN de lastendruk vertaalt zich in afspraken over tarieven. Wat de belastingen betreft ligt het, gezien de problemen aan de onderkant van de arbeidsmarkt, voor de hand om de wig, de kloof tussen dat wat wordt verdiend en dat wat werkelijk aan de werknemer wordt uitbetaald, te verkleinen en om de afstand tussen uitkeringen en inkomens te vergroten. Verlaging van het tarief van de eerste schijf van de inkomstenbelasting en afschaffing van het zestig-procentstarief - een sanctie op inspanningen om extra te verdienen - zijn daarbij prioriteiten. Het brengt de Nederlandse tariefstructuur op de Europese lijn en het bevordert zowel koopkracht als werkgelegenheid. Iets om te overdenken bij het opstellen van de partijprogramma's voor de verkiezingen van volgend jaar. * Ontleend aan de Miljoenennota 1993, pagina 328