Socialistisch realisme in de Rotterdamse Kunsthal; Het pesthuis van optimisme

“Als je je door een horde betweterige cultuurbarbaren hebt laten castreren, kan je beter je broek niet laten zakken in het aanschijn van de muze.” Dat geldt voor de in de Kunsthal tentoongestelde Sovjetschilders die socialistisch-realistisch hebben geschilderd. Niet dat het niet de moeite loont de tentoonstelling te bezoeken: “Ik hoop zelfs dat ik uw nieuwsgierigheid heb opgewekt en dat u in groten getale komt kijken tot lering en leedvermaak.”

Socialistisch Realisme, Sovjetschilderkunst 1930-1970. Kunsthal, Westzeedijk 341, Rotterdam. Openingstijden di t/m za 10-17 uur, zo 11-17. T/m 29 aug.

Het had zo mooi kunnen zijn. Schitterend zelfs. Een hemelbestorming van jewelste. Eindelijk hield de ontwikkeling van de beeldende kunst in Rusland, die altijd achter de stromingen in West-Europa aangesjokt had als een amechtig hangbuikzwijn achter een hazewindhond, gelijke tred met de veranderingen hier. Tijdens die roerige revolutiejaren deden kunstenaars als Malevitsj, Oedaltsova, Lissitzky, Popova, Strzeminski, Kandinsky (die in 1921 het Instituut voor Kunstzinnige Cultuur in Moskou stichtte), Rodtsjenko, Tatlin, Matjoesjin en tientallen anderen met hun constructivistische, futuristische, suprematistische en abstracte werken niet onder voor de creaties van Arp, Max Ernst, Picasso, Braque, Mondriaan en Léger. Wat had het mooi kunnen worden en wat was het zelfs even stralend, die explosie van creativiteit, dat vuurwerk der vrijheid, die waterval van theorieën. Bij het horen van de revolutie in de verte werd Herman Gorter al volkomen extatisch en lyrisch bevlogen. Kom, Vrijheid, met uw paarden die gevoed/ Zijn van de bliksem, wervelwind-gedrenkt. Maar die paarden, Hoop en Jeugd en Strijd en Arbeid, werden lang voordat ze uitgegaloppeerd waren rücksichtslos door die onbehouwen tsaar uit Georgië naar de vilder geschopt. Het was afgelopen met de revolutie en de triomfantelijke opbloei. De schoonheid kan nog niet zijn, / de arbeiders zijn nog niet sterk genoeg. Voor de kunstenaars ging het verdomd veel lijken op de studentjes van Piet Paaltjens die zo levenslustig en moedig de wereld in sprongen. En de wereld - trapte ze dood.

Ze kwijnden weg als kamerplanten achter dichte gordijnen. Soms pleegden ze zelfmoord of ze verkrachtten zichzelf door socialistisch-realistisch te gaan schilderen of verlepten in stilte. Volk, ik ga zinken als mijn lied niet klinkt. Sommigen vluchtten naar het Westen zoals Kandinsky en Pevsner. Of als Naum Gabo, aan wie we in Rotterdam voor de Bijenkorf een van de indrukwekkendste beelden in Nederland te danken hebben. Een geluk bij een wreed en stompzinnig ongeluk. Maar wie een bredere kijk heeft op het wereldgebeuren, had dat beeld liever op het Rode Plein in Moskou zien staan. Dan was het anders gelopen met de ontwikkelingen daar. In de schaduw van waarachtige kunst wordt zelden geliquideerd.

Het had zo mooi kunnen zijn. Lenin met een schilderij van Oedaltsova aan de wand van zijn werkkamer, Stalin voor een werk van Kandinsky terwijl hij het partijcongres toespreekt. Een sprookje waarin velen geloofd hebben. Even maar. Want binnen een paar jaar vlogen de kogels al om en tussen de oren van de in opstand gekomen matrozen van Kronstadt. Het had zo mooi kunnen zijn maar het liep uit op een bloedbad. Ze hebben de sikkel van hun eigen embleem niet gebruikt om te oogsten. Alleen de hamer om plat te slaan.

Braken

Wat is het verschrikkelijk als mensen die proza schrijven als tinnen soldaatjes zich met de kunst gaan bemoeien, vooral als ze de macht hebben om de kunstenaars achter hun schildersezels te jagen en werken te laten vervaardigen die zelfs in het bejaardenhuis van de muzen met hoongelach ontvangen zouden worden. Wie naëvelijk de tentoonstelling in de Kunsthal te Rotterdam Socialistisch Realisme, Sovjetschilderkunst 1930-1970 mocht binnenlopen met het idee zich onder te dompelen in enig kunstgenot belandt in een purgatorium van artistieke onkunde, in een demonstratie van creatieve impotentie, in een mestvaalt van reetlikkerij op bestelling, in de kelders van de geest vol kruipend ongedierte, in een pesthuis van ongezond, afgedwongen optimisme. Als je ziet hoe Aleksandr Gerasimov - de kwaadaardigste neet voor zijn geniale collega's die volkomen penseeldood gemaakt werden - Stalin heeft geschilderd op het achttiende partijcongres, zou je wensen dat de museum-directie onder dat wanprodukt een teil had gezet om in te braken. Als je je dan voor de geest haalt hoe Goya Karel IV en zijn gezin geschilderd heeft, besef je pas goed hoe angstvallig en zorgvuldig de man van staal zich omringd had met het schuim der schilders. Nog nooit is in de geschiedenis van de portretschilderkunst een rasechte koppensneller zó als een Lamme Goedzak afgebeeld, een monstrum met het penseel der onderdanigheid opgelikt tot zalvende suikeroom. Een weerzinwekkend voorbeeld van wat er gebeurt wanneer een kunstenaar als een serpent in het stof kronkelt voor de machtigen der aarde. En hoe zoetsappig en met engelengeduld onderwijzend is de massamoordenaar uit het Kremlin geconterfeit door Grigori Sjegal als Leider, Leraar en Vriend te midden van zijn met bewonderende toewijding aandachtig luisterende partijgenoten waarvan velen, nog voordat de verf van het schilderij goed en wel droog was, met een nekschot om het leven zijn gebracht. En wie moet niet in ontzetting stamelen, "Millet, kom in godsnaam even terug om die ellendelingen te laten zien hoe het moet', bij het bekijken van een schilderij van Aleksei Vasilev van een groepje landarbeiders tijdens het schaftuurtje die, als je de uitdrukking op hun gezichten moet geloven, er weer vol idealisme en met frisse moed tegenaan zullen gaan omdat er gunstig over hen geschreven is in de Pravda. Zeker omdat hun tractoren iets minder snel wegroesten door schromelijke verwaarlozing dan die van hun collega's.

En toen werd Stalin gemummificeerd, waarschijnlijk omdat hij dood was, niet wetend dat hij de kortst levende mummie in de wereldgeschiedenis zou worden, en viel de zogenaamde dooi in. Maar alles wat creatieve groeikracht bezat en een persoonlijke visie, was een paar decennia met genadeloze verbetenheid afgeknepen en vervolgd en in werkkampen opgesloten, zodat er alleen nog maar van iedere artistieke potentie gespeende kunstenaars over waren die slechts melige genrestukjes konden vervaardigen die zelfs het werk van Cornelis Troost met zijn babbelstukken en braafjes gepenseelde tafereeltjes en van Bakker Korff met zijn bedompte interieurs gestoffeerd met dametjes op leeftijd waarvan de oude muizenlucht afwalmt tot sprankelende meesterwerken maakt. De Verloofden van Akhmed Kitaev, van Boris Lavrenko Op de Kraamafdeling, Een Slechte Vangst van Nikolai Baskakov, van Aleksei Tkaohev De Postbezorgster in de Winter, je hoort het al aan de titels en je bent verwonderd dat het meisje met de zwavelstokjes ontbreekt, zijn even zovele genrestukjes die een eeuw geleden op een andere planeet ontstaan schijnen te zijn. Maar dan wel een planeet waar bij iedere inslag van een komeet huizenhoge stofwolken van door de motten aangevreten trijp en pluche de lucht in tornen. En je hoort weer een gedicht van Gorter in je opklinken. Verdoemd! / Allen zijn klein, / Geen is er groot. / Beter weg in de dood / Dan verdoemd met het kleine te zijn. Dat komt ervan als je je hebt laten intimideren tot onmondig dreumesformaat, als je je door een horde betweterige cultuurbarbaren hebt laten castreren. Dan kan je beter je broek niet laten zakken in het aanschijn van de muze.

Zoals zonneklaar op deze tentoonstelling valt te constateren, heeft de revolutie niet alleen haar eigen kinderen in blinde verdelgingswoede opgevroten, zij heeft ook vele afzichtelijke misgeboorten ter wereld gebracht, die zo snel mogelijk op het sterk water der vergetelheid achter slot en grendel opgeborgen dienen te worden. Ze heeft de eigen artistieke ontwikkeling voorgoed verstikt en een hele generatie kunstenaars tot in het merg verminkt. En we zien die tsaar aller Russen, die het startschot gaf voor de genadeloze heksenjacht op de ware revolutionaire kunst, als de Saturnus van Goya in reuzengedaante als een kolossaal gedrocht oprijzen voor een duistere hemel en een menselijk wezen aan stukken scheuren en opschrokken als een gulzig voorhistorisch reptiel. De vrijheid ging in het rood gekleed omdat die gesmoord werd in bloed. Maar de kunstenaars uit de glorieuze begintijd van de revolutie zullen ten eeuwigen dage het einde van het gedicht van Bloem Dichterschap kunnen aanhalen Maar mijn bloei is schoon geweest.

Men zal zich afvragen of ik met deze visie op de voortbrengselen van Stalins "Paradijs der Arbeiders' de genteresseerde kunstliefhebber uit die prachtige Kunsthal in Rotterdam wil houden. Allerminst! Dat zij verre van mij. Ik hoop zelfs dat ik uw nieuwsgierigheid heb opgewekt en dat u in groten getale komt kijken tot lering en leedvermaak. Want dat is bijna niet te vermijden bij dit werk van voornamelijk onderkruipers en karakterlozen. En ook om te beseffen hoe waar het is wat Thorbecke al in 1862 zei, dat kunst geen regeringszaak is. En ik hoop dat het u er niet toe zal brengen om vergenoegd te zeggen, "Dat kan bij ons niet gebeuren'. Want dan stel ik meteen de vraag, "Waar is dan het expressieve stuk sculptuur dat Kounellis voor het nieuwe gebouw van de Tweede Kamer ontworpen heeft?' Om dat idee bruutweg onder te schoffelen hoefde men niet eens terreur uit te oefenen tegen onze volksvertegenwoordiging. Door meningen van driehoog achter van christelijke politici en liederlijk gekuip is ons dat onthouden.

En natuurlijk verplicht de museumdirectie zich om na deze artistiek schrale schaft van rats en raap ons binnen afzienbare tijd te verblijden met een waar feestmaal voor geest en oog, met een uitgebreide tentoonstelling van het werk van de echte kunstenaars uit het begin van de revolutie, met als middelpunt het model van Vladimir Tatlin voor zijn monument voor de Derde Internationale. En verder ben ik van mening, dat als voorwaarde voor de economische steun uit het Westen aan Rusland, die constructie op ware grootte, dat is vierhonderd meter hoog, op het Rode Plein moet komen te staan, zodat de schaduw van die noodtrappen naar het morgenlicht over de tombe van Lenin valt, die daar, ten aanschouwen van het schaamteloze internationale toerisme, tegen wil en dank, in zijn marxistisch-leninistische vezels ligt te verschrompelen.