Politie vindt curieuze "bekentenis' Surinaamse zakenman; Ingewikkeld spoor van smeergeld

DEN HAAG, 16 JULI. Het is zonder meer het meest curieuze document dat de Haagse politie de afgelopen weken bij huiszoekingen tijdens haar onderzoek naar het betalen van smeergelden aan invloedrijke Surinamers heeft gevonden. Een volledig getypt stencil op naam van de voormalige directeur van de Surinaamse luchtvaartmaatschappij (SLM) Atta Mungra, waarin de man een bonte reeks bekentenissen aflegt.

“Ik ben Atta Mungra, de deviezen- en cocanekoerier”, staat er in de verklaring. “Ik heb vele cocanetransporten geleid toen ik directeur was bij de SLM.” Andere bekentenissen gaan over Mungra's zakelijke opereren en het stencil besluit met de mededeling dat hij, Mungra, de opvolger zal zijn van de voorzitter van de Surinaamse Assemblée, Jaggernath Lachmon.

De politie plaatst vooralsnog geen kanttekeningen bij de authenticiteit van het stencil. Via zijn raadsman, de Amsterdamse advocaat mr. A. Moszkowicz, laat Mungra desgevraagd weten dat de verklaring niet van zijn hand is. “Dit is een lastercampagne van mijn zakelijke concurrenten”, aldus Mungra. Moszkowicz voegt eraan toe dat dit soort schuldbekentenissen “alleen door een randdebiel kunnen worden opgesteld en dat is mijn cliënt niet”. De advocaat wijst er ook op dat onderaan de verklaring staat: "kopieën maken en doorsturen!', en ook die mededeling bewijst volgens hem de onechtheid van het document.

Het onderzoeksteam van de Haagse politie en medewerkers van de FIOD verdenken Mungra, de politicus D. Sardjoe en enkele hindoestaanse en Nederlandse handlangers ervan onder andere cocanetransporten naar Nederland te hebben georganiseerd. De politie wijst erop dat tijdens het bewind van Mungra als directeur van de SLM, eind jaren tachtig, veel drugs met toestellen van de Surinaamse luchtvaartmaatschappijen zijn vervoerd. Daarbij zou regelmatig de naam van Mungra zijn opgedoken.

Moszkowicz zegt evenwel dat uit de politiedossiers geen concrete bewijzen naar voren komen dat zijn cliënt handelt in verdovende middelen. “Ik verwijs die beschuldigingen naar het rijk der fabelen.”

Veel meer inzicht heeft de politie in ieder geval gekregen in het betalen van smeergelden aan Surinamers bij het leveren van levensmiddelen, onder andere veel witte suiker, door Nederlandse bedrijven aan Suriname. Eenvoudig was het niet om het zakelijk verkeer in kaart te brengen omdat er op verzoek van de betrokken Surinamers alles aan werd gedaan de sporen uit te wissen.

De twee Nederlandse exporteurs van levensmiddelen en cement die vorige week werden gearresteerd moesten het smeergeld - ten minste negen miljoen gulden over de afgelopen twee jaar - overmaken aan een speciaal voor dit doel in 1991 in Amsterdam opgericht bedrijf: Surinam Commercial Services BV. Dat bedrijf is volgens de Kamer van Koophandel een volle dochter van de Bataafse Overzeese Exportmaatschappij, de exportfirma van de vorige week aangehouden J. van der R. uit Naarden.

Het smeergeld werd volgens onderzoek van de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) vervolgens gedeeltelijk gestort op Haagse bankrekeningen van Mungra en Sardjoe. Ook werd er contant uitbetaald aan een Surinaamse contactman die invloedrijke ambtenaren, politici en militairen in Suriname van steekpenningen voorzag. Tijdens de verhoren van de Nederlandse verdachten zijn onder anderen de voormalige legerleider, Bouterse, en de president van de Centrale Bank van Suriname, Goedschalk, genoemd als profiteurs. Goedschalk ontkent in alle toonaarden, Bouterse heeft nog niet gereageerd.

Officieel deden de Nederlandse bedrijven zaken met het Centraal Importbedrijf Suriname (CIS). Justitie heeft echter vastgesteld dat er ook rechtstreeks geleverd werd aan Rudisa International in Paramaribo met als directeuren Sardjoe en Mungra. In Nederland werd Rudisa vertegenwoordigd door een familielid van Sardjoe. Een medewerker van Rudisa was volgens justitie vroeger directeur van het CIS.

De politie zegt ervan uit te gaan dat de leiding van het CIS vaak “helemaal geen invloed” had op bestellingen van dit staatsbedrijf. Het CIS kreeg opdracht van derden om contracten te tekenen en te betalen. Een procedure die eerder al door de Rekenkamer van Suriname is geconstateerd. Het ministerie van ontwikkelingssamenwerking zegt nog steeds niet te weten of de contracten met de Nederlanders en dus ook de zestien procent die van de bedragen moesten worden teruggeboekt als smeergeld, betaald zijn uit Nederlandse humanitaire noodhulp, zoals de FIOD heeft vastgesteld. Het departement wacht op de uitkomsten van het onderzoek van de Haagse justitie.

De politie heeft ook vastgesteld dat Mungra en Sardjoe de afgelopen jaren zeer regelmatig grote hoeveelheden contant geld van Suriname naar Nederland hebben getransporteerd of lieten transporteren. Op 5 en 8 januari van dit jaar is op Schiphol bij twee Surinamers vastgesteld dat ze allebei ongeveer 200.000 gulden op zak hadden. Geld dat volgens de koeriers eigendom was van D. Sardjoe. Op 8 augustus 1992 kwam Sardjoe volgens de politie zelf op Schiphol aan met 493.000 gulden bij zich.

Mungra is vorig jaar twee keer op Schiphol met geld aangetroffen. Een keer met 250.000 gulden die volgens hem privé-eigendom waren en een keer met een bedrag van 340.455 gulden dat volgens Mungra toebehoorde aan zijn firma Mungra Rudisa International.