Oeverloos gezeur en te aarzelende spot van lauw clubje biljarters

Voorstelling: Ivoor van Rob de Graaf. Regie: Maarten Lok; decor: Edwin van Opstal en Carien Poissonier; muziek: Marianne Schnitger; spel: Stella van Leeuwen, Mylene Verdurmen, Chris Vinken, Mirjam van Dam. Gezien: 15/7 Veem Theater Amsterdam. Aldaar t/m 25/7.

Hun woede is oprecht, zeggen ze, en ze zijn vast van plan iets te doen aan alles wat hen niet bevalt. De vier mannen - vertolkt door drie vrouwen en één man - in Ivoor van Rob de Graaf spreken ferme taal, die wordt ingegeven door de wetenschap dat het goed mis is in de wereld. De problemen vragen om "concrete actie' en zij zelf moeten daar onmiddellijk mee beginnen om zo "een voorbeeldfunctie voor de wereld' te vervullen. Maar het is, zo blijkt al snel, veel poeha en een pijnlijk gebrek aan daadkracht wat hier aan het licht komt. De haast die ze aanvankelijk hadden om erop af te gaan, maakt plaats voor besluiteloosheid en lamlendig gehang rond een biljarttafel.

Het defaitisme van de groep en de twijfel aan het slagen van hun "onderneming" is weliswaar begrijpelijk - probeer maar eens, zoals één van de mannen wil, in je eentje de laatste witte neushoorn in Afrika te redden - maar het leidt ook tot oeverloos gezeur. De tekst van Rob de Graaf neigt af en toe aarzelend naar spot (“Ik voel dat er een manifest in me opkomt, een statement hoe alles is en hoe alles zou moeten zijn”), maar het blijft toch allemaal lauw. Al gauw snak je naar meer venijnige humor om al dat machteloze gepieker enige vaart te geven.

Onder leiding van regisseur Maarten Lok is het de vier jonge spelers, van wie de meesten een mime-achtergrond hebben, evenmin gelukt van Ivoor inspirerend theater te maken. We zien vier zelfingenomen figuren die elkaar om beurten op verongelijkte toon het woord ontnemen en allemaal proberen de flauwste van het gezelschap te zijn, opdat wij toch vooral het contrast met hun verheven plannen en idealen signaleren: de een lacht om moppen die niet leuk zijn, een ander laat zijn broek zakken en een derde stopt ter hoogte van haar kruis biljartballen in haar broek.

En zo blijft de voorstelling als een wat gemakzuchtige poging om de kloof tussen woorden en daden te illustreren op alle fronten in het luchtledige hangen. De acteurs grijpen verschillende keren naar hun gereed staande koffers, maar die worden telkens weer neergezet in een steeds chaotischer ogende ruimte. Dat is op zichzelf een mooi beeld voor de chaos op het wereldtoneel - ook daarom is het jammer dat de voorstelling niet meer te bieden heeft.