Kirov worstelt met markt en geldgebrek

De Kirov-fabriek (staal, tractoren, turbines), eens de trotse industriegigant van Leningrad, heeft enorme problemen bij de omschakeling naar de markteconomie. "Willen we ooit kunnen concurreren dan moeten we investeren, maar we hebben geen geld'.

Het is of de duvel ermee speelt. Op het moment dat we de hal van de staalwalserij betreden schiet er letterlijk een kink in de kabel: een roodgloeiende pijp maakt een fraaie lus en knarsend komt het ganse raderwerk tot stilstand. De symboliek druipt er af: de Kirov-fabriek, eens de trots van Leningrad, een complete fabrieksstad waar 40.000 arbeiders in het diepste geheim tanks, turbines voor kernonderzeeërs, tractoren en, in een ver revolutionair verleden, mijnenvegers en gepantserde treinen vervaardigden, verkeert mét de rest van Rusland in grote nood.

Zeventienduizend werknemers zijn al verdwenen, van de overige 23.000 is het grootste deel twee maanden met verlof gestuurd omdat zelfs de ooit zo lucratieve tractorproduktie wegens gebrek aan opdrachten stagneert. En inderdaad: op het fabrieksterrein slingeren ze gewoon rond: de grote gele monsters met de trotse naam Kirovets, die in Brezjnevs hoogtijdagen de steppen van Kazachstan kapotploegden voor het megalomane ontginningsproject waarvoor hij zichzelf de Leninorde toekende. Sommige zijn al zoetjesaan door hun assen gezakt. De werknemers is een premie beloofd als ze een tractor aan de man weten te brengen, maar wie heeft er voor zijn minuscule lapje grond nu een tientonner nodig?

Maar de bedrijfsleiding zit niet stil. Op 5 november vorig jaar werd de Kirov-fabriek een naamloze vennootschap. De aandelen zijn al gedrukt en in september moet de eerste heuse aandeelhoudersvergadering plaatsvinden, waarop een bestuur en een nieuwe directeur-generaal worden gekozen. De arbeiders halen er voorlopig nog hun schouders over op: wat vroeger in de staatskas belandde, spekt nu de zakken van het management, zeggen ze gelaten. Wat ze met die aandelen aanmoeten, ze zouden het niet weten.

De privatisering is in Petersburg aarzelend op gang gekomen, maar vertegenwoordigers van het IFC (International Financing Corporation, een dochteronderneming van de Wereldbank), zijn niet ontevreden. Ongeveer 2500 kleine bedrijven in de dienstensector (restaurants en café's) en ongeveer 1000 werkplaatsen, kapperszaken en winkels zijn inmiddels in privéhanden overgegaan. Van de grote bedrijven (met een kapitaal van meer dan 50 miljoen roebel en meer dan 1000 werknemers) zijn er nu 300 geprivatiseerd en de Kirov-fabriek is er daar één van. Buitenlanders mogen ook kopen, maar de animo is vooralsnog gering. De mafia en de politieke chaos schrikken af, hoewel ambtenaren op het gemeentehuis verzekeren dat Petersburg heilig is vergeleken bij Moskou. Een aantal Westerse bedrijven verhuist zijn vestigingen van Moskou naar Petersburg omdat de situatie hier overzichtelijker is dan in de hoofdstad.

Westerse zakenlieden, aldus een Nederlandse vertegenwoordiger van organisatieadviesbureau Ernst & Young, zijn overigens niet te spreken over de aanhoudend sombere prognoses van het IMF, dat veel te weinig oog heeft voor de resultaten op microniveau. Het negatieve gevecht tégen verandering is nu in veel Russische bedrijven omgeslagen in een positief gevecht voor overleving en er ontstaat een klasse managers die verbazend snel leert. Helaas is de privatisering pas een eerste, zuiver technische stap. Veel moeilijker wordt het de staatsbedrijven rendabel te krijgen. Een groot aantal bedrijven is feitelijk bankroet maar wordt nog steeds kunstmatig in leven gehouden.

Leningrad is vanouds een stad van militaire industrie. Driekwart van de grote bedrijven werkte wel op de een of andere manier voor defensie en was aan een 'regime van geheimhouding' gebonden. Alle werknemers moesten bij hun aanstelling een papier ondertekenen dat ze geen contact zouden onderhouden met buitenlanders. Het blijkt nog steeds niet eenvoudig voor een buitenlander om de fabriek te betreden. De eerste dag kom ik niet verder dan het museum.

Pag.12: Politieke chaos is grootste dreiging

De Kirov-fabriek kreeg zijn naam in 1934, na de moord op Leningrads populaire partijsecretaris Sergej Kirov. Maar minstens even beroemd was de fabriek toen ze nog Poetilov heette, naar de eerste privé-eigenaar Nikolaj Poetilov, die haar in 1868 van de staat kocht (de fabriek is in 1801 door tsaar Paul I gegrondvest als kanonnengieterij). Poetilov bracht de fabriek tot bloei, dankzij de eerste massale railsproduktie voor de Russische spoorwegen. De Poetilov-fabriek heeft een roemrucht verleden: de revolutie van 1905 begon met een staking op de fabriek en ook tijdens de februari- en oktoberrevolutie speelden de arbeiders van de Poetilov-fabriek - zo wil het althans de sovjet-mythologie - een belangrijke rol. Hier bestelde Lenin in oktober 1917 zijn eerste pantsertrein Overwinning of de dood. Geheel conform de traditie zocht burgemeester Anatoli Sobtsjak tijdens de staatsgreep van augustus '91 dan ook hier zijn toevlucht. Toen de mare rondging dat de tanks naar Leningrad oprukten, overnachtte Sobtsjak op de fabriek en dat was verbazend omdat men toen nog veronderstelde dat alle bedrijven van het militair-industrieel complex de staatsgreep van harte steunden.

Ingenieur Natalja Belo-oesova (42), die me rondleidt langs de museumvitrines, is trots op de fabriek, maar de toekomst ziet ze heel, heel somber. Mijn generatie, zegt ze, is afgeschreven. Zij kan de draai niet meer maken. Alle sociale voorzieningen die de fabriek bood, zijn afgeschaft. Als alleenstaande moeder heeft ze haar zoontje nu naar familie in de Oekrane gestuurd omdat ze hem van haar 20.000 roebel maandsalaris (20 dollar) niet meer kan onderhouden. “Als ik ontslagen word, vind ik geen werk meer. Mij heeft de vrijheid niets gegeven. Vroeger had ik het vooruitzicht op een woning van de fabriek, maar dat kan ik nu wel vergeten. Ik denk dat ik naar de provincie moet verhuizen omdat de stad te duur voor me wordt.” Of ze geen aandeelhouder van de fabriek wil worden? Belo-oesova lacht bitter. Ze heeft haar voucher - het hele Russische volk kreeg vorig jaar een waardevaste voucher van 10.000 roebel om deel te kunnen nemen aan de privatisering - aan een malafide investeringsfonds gegeven dat er vervolgens met het geld van duizenden Leningraders vandoor is gegaan. Het heeft haar vertrouwen in het kapitalisme danig geschokt. “Voor de massa's ligt er slechts ondoordringbare duisternis in het verschiet.” En Belo-oesova knipt het licht in de vitrines met modellen van tanks, treinen en onderzeeboten uit.

Een dag later lukt het me tot het gebouw van de directie door te dringen. Aleksandr Kroeglov, rechterhand van de directeur, schetst de worsteling met de privatisering. Eerst moest het ministerie van militaire industrie uitgeschakeld, dat alle militaire bedrijven in zijn wurggreep hield. Daarna moest de nieuwe wetgeving worden afgewacht. Toen moest de ministerraad toestemming verlenen en tot slot moest het collectief akkoord gaan. Dit alles tegen de achtergrond van politieke chaos, economische onervarenheid en bureaucratische knoeiboel. Het verlies van alle militaire orders (goed voor 30 tot 40 procent van de omzet) en het verbreken van alle zakelijke contacten door het uiteenvallen van de Sovjet-Unie leidde tot een enorme produktiedaling. Maar op 5 november 1992 was het dan toch zover: de Kirov-fabriek werd een naamloze vennootschap met een kapitaal van 1 miljard 86 miljoen roebel.

Het merendeel van de grote fabrieken heeft gekozen voor de "conservatieve' variant die de wet op de privatisering biedt, waarbij 51 procent van de aandelen in handen komt van de werknemers. Maar het management van de Kirov-fabriek koos voor meer flexibiliteit: 25 procent van de aandelen wordt gratis aan de werknemers uitgedeeld, 10 procent wordt hen te koop aangeboden. De bedrijfstop heeft een optie op 5 procent. 12,4 procent van de aandelen krijgen de werknemers als winstuitkering en de resterende 47,6 procent is voorlopig nog van de staat, maar moet uiteindelijk op veilingen te koop worden aangeboden.

De veranderingen zijn kolossaal, vindt Kroeglov. “De fabriek is nog één rechtspersoon, maar is inmiddels van een onderneming met een totaal gecentraliseerd systeem opgedeeld in 47 financieel onafhankelijke bedrijven met een eigen balans en eigen boekhouding, die ieder op zich rendabel moeten gaan draaien.” De belangrijkste vijf bedrijven zijn de tractorfabriek, de staalproduktie, de gieterij, het ontwerpbureau voor land- en wegenbouwmachines en Energomasj, waar vroeger de elektroturbines werden vervaardigd, maar dat nu totaal is stilgevallen.

Want aan de privatisering mag dan gewerkt worden, voorlopig lijkt het niet meer dan een herverdeling van financiën, taken en verantwoordelijkheden binnen de bedrijfstop. 1992 was een absoluut rampjaar: de omzet werd gehalveerd en de fabriek kampte met ernstige betalingsproblemen. De openstaande rekeningen liepen op tot 3 miljard roebel. Nu probeert de fabriek langzaamaan weer op te krabbelen. Men werkt aan de opzet van een dealernetwerk om nieuwe klanten te zoeken. De fabriek zál overleven, verzekert Kroeglov, maar de stilte op het immense territorium speekt boekdelen.

In de walserij van de fabriek werken nog 1700 arbeiders. Naar staal is in Rusland altijd vraag, zegt de nieuwe directeur Valentin Zacharov. Maar met de gierende inflatie van 50 procent per maand is werken bijna onmogelijk. Alle bedrijven worden meegezogen in de prijsspiraal. “De automobielfabriek in Togliatti zit aan de grond en heeft al twee maanden geen rekeningen betaald, de grote vrachtwagenfabriek Kamaz is afgebrand, onze eigen tractoren worden niet meer gekocht. We hebben nu een minitractor ontworpen, maar kunnen daarvoor geen motor vinden. Willen we ooit kunnen concurreren, dan moeten we investeren, maar we hebben geen geld.” De staalwalserij is het meest stabiele onderdeel van de Kirov-fabriek, maar zelfs hier schommelt de rentabiliteit van maand tot maand sterk. Werken is interessanter geworden, vindt Zacharov, maar de baas voelt hij zich nog lang niet.

In een rommelhokje bij de ingang van de fabriek, die nog steeds streng bewaakt wordt door mannen en vrouwen in uniform, huist nog een Zacharov, maar deze heet Jakov en is hoofdredacteur van het fabriekskrantje Kirovets. Jakov klaagt over de ontoegankelijkheid van de directie. Er zijn op de fabriek nog bijna geen gedwongen ontslagen gevallen, maar de beste mensen zijn uit zichzelf vertrokken. Overlevingskansen ziet Jakov alleen voor de staalfabriek, de kleine tractoren en een joint venture met het Oostduitse bedrijf Landtechnik, dat landbouwwerktuigen maakt voor de Russische markt.

“De meeste topmensen hier zijn incapabel, hoewel directeur Semenenko van nature iemand is die van experimenteren houdt. De omstandigheden hebben hem tot flexibiliteit gedwongen. Hij heeft nu een plastic jeep laten ontwerpen, maar natuurlijk is onze apparatuur niet geschikt voor de produktie,” aldus de hoofdredacteur. Talrijk zijn de verhalen van grote partijen edele metalen die uit Petersburgse militaire fabrieken via Estland naar het buitenland worden gesmokkeld. Ook van de Kirov-fabriek is heel wat verdwenen.

“De mafia is onsterfelijk, vooral in deze periode van de oorspronkelijke kapitaalsaccumulatie,” zegt Michail Manevitsj marxistisch. Manevitsj, belast met de privatisering in het statige gemeentehuis Smolny, is een ambtenaar van het nieuw type, economisch geschoold, snel en slim. “De privatisering heeft twee doelen: het oude systeem moest worden vernietigd en de mensen moeten het gevoel krijgen wat eigendom betekent. Het eerste doel is nu al bereikt. Tachtig procent van de kleine staatsbedrijven is al geprivatiseerd, ongeveer de helft van alle winkels is in handen van het personeel. Wil je dat de mensen weer afpakken, dan zul je toch eerst weer een oktoberrevolutie op touw moeten zetten. De meerderheid van de directeuren van de staatsbedrijven is gebleven en wij betreuren dat niet, want ze zijn veranderd. Ze hebben belang bij de privatisering. Ons grootste probleem is dat we heel hard buitenlandse investeringen nodig hebben om de conversie van de defensieindustrie door te voeren, anders krijgen we kolossale werkloosheid en een sociale explosie.”

Na lang wachten gaat in de Kirov-fabriek eindelijk de directiekamer voor me open. Pjotr Semenenko (47) is groot, omvangrijk en zelfverzekerd. Het proces is onomkeerbaar, zegt hij. “Ik ken de techniek en ik ken de mensen. De meest chaotische periode is al achter de rug en wij hebben nooit op enigerlei hulp vertrouwd. Al die sprookjes over hulp uit het Westen!” Voor de conversie heeft de fabriek van de staat trouwens ook geen cent gekregen. Alle subsidies zijn afgeschaft en de zaak draait nu alleen nog op eigen geld. De privatisering loopt redelijk op schema, maar het is de politieke chaos die nu het meest bedreigend is. De regering moet nog aan een flink aantal voorwaarden voldoen wil Semenenko haar zijn vertrouwen schenken. Het hopeloze banksysteem en de kredietpolitiek moeten op orde worden gebracht. Er moeten acceptabele banden worden aangeknoopt met de GOS-landen en de draconische belastingen moeten omlaag. Maar heimwee zegt Semenenko niet te hebben. “De pers heeft de directeuren stelselmatig voorgesteld als tegenstanders van de hervormingen. Ook dat zijn sprookjes.” Dat er hier en daar fiks gestolen wordt wil de directeur wel toegeven. “Het meest gangbaar zijn de edele metalen. We hebben de dieven hier op ons eigen terrein betrapt en overgedragen aan de militsia. Begrijp me goed: de fabriek is nu óns eigendom!”

De volgende ochtend leidt Semenenko een delegatie van General Motors rond over het fabrieksterrein. Voor het directiegebouw staan zijn pronkstukken opgesteld: bulldozers en graafmachines, de grote en de kleine tractor, de hagelwitte plastic jeep. De minitractor geeft een demonstratie van hoge snelheid in combinatie met extreme wendbaarheid. “Hun techniek is indrukwekkend,” zegt E. Ferraris, vertegenwoordiger van General Motors voor het GOS. “Maar of ze het redden? Er is enorme concurrentie op de wereldmarkt en de problemen van de Kirov-fabriek zijn niet gering.”