Een bezoek aan de octopus

“Vind je mij raar?” vroeg de octopus aan de eekhoorn.

De eekhoorn keek hem aan en aarzelde even.

“Nou ja, met al die armen en zuignappen...” zei de octopus. Zijn wangen werden grijs en hij sloeg zijn ogen neer.

“Nee hoor,” zei de eekhoorn. “Ik vind je niet raar.”

“Ik ben ook niet raar,” zei de octopus zacht.

Nee, dacht de eekhoorn, ik vind hem niet raar.

Zij zaten op de bodem van de zee, niet ver van het strand. De octopus had de eekhoorn uitgenodigd om samen met hem thee te drinken.

De eekhoorn keek om zich heen. Iets verderop hing een zwarte wolk onder water, waaruit het regende. Dát is wel raar, dacht de eekhoorn.

“Sneeuwt het wel eens onder water?” vroeg hij.

“Ja hoor,” zei de octopus. “Het doet hier alles.”

“Ook onweren?”

“Alles,” zei de octopus. Hij fronste zijn voorhoofd en sloeg een paar van zijn armen over elkaar.

De eekhoorn nam een slokje thee en dacht bij zichzelf: deze thee is lekker, eekhoorn, deze thee is heel lekker.

“Heerlijke thee, octopus,” zei hij.

“Vind je dat?” vroeg de octopus. “Het is brakke thee. Mijn zoute thee is op.”

Het was even een tijd stil. Af en toe kneep de eekhoorn zijn ogen dicht, haalde diep adem en nam een klein slokje. De octopus leek in gedachten verzonken. Maar plotseling keek hij de eekhoorn aan en vroeg:

“Zou je met mij willen ruilen?”

Ruilen? dacht de eekhoorn. Met hem? Zodat ik de octopus ben en hier woon en van zoute thee houd? Er kwamen zweetdruppeltjes op zijn voorhoofd. Hij wist niet dat je onder water zweetdruppeltjes kon krijgen, of dorst? Want hij kreeg opeens dorst. Als ik nee zeg is dat wel héél onaardig..., dacht hij.

“Is er iets?” vroeg de octopus. “Vind je mij toch raar?”

“Nee nee,” zei de eekhoorn, “Ik vind je helemaal niet raar. Nee hoor.” Dat is echt waar, dacht hij bij zichzelf.

Hij stond op. “O ja,” zei hij, “dat is waar ook, ik was vergeten dat ik haast heb.”

“Haast?” vroeg de octopus verbaasd.

“Ja, haast,” zei de eekhoorn. “Plotselinge haast.”

Hij nam afscheid van de octopus.

“Nou ja,” zei de octopus en tilde al zijn armen op om hem uit te zwaaien.

De eekhoorn liep langs de bodem van de zee in de richting van het strand.

“Je hebt nog niet gezegd of je met mij wilt ruilen,” riep de octopus hem nog na. Maar de eekhoorn vond dat hij al te ver weg was om dat te verstaan.