Dromen en nachtmerries van kinderen uit oorlogsgebieden

Als bomen spreken konden, Ned. 1, 22.42-23.43u.

Lijmsnuivende zwervertjes in Zuid-Amerika, oedeembuiken in Afrika, kleine vingertjes die van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat meterslange tapijten knopen in het Midden-Oosten, ze laten niet af ons te ontroeren. Sterker nog, een mens voelt zich bijna moreel verplicht om verontwaardigd te zijn.

Ook de documentaire Als bomen spreken konden, over kinderen die opgegroeid zijn tijdens de burgeroorlogen in San Salvador en Guatemala, kent momenten die de beklemming bijna dwingend opleggen. Zo lijkt de passage waarin een Salvadoraans jongetje en zijn zus een kruis plaatsen op het eindelijk ontdekte graf van hun vermoorde ouders wel speciaal in scène gezet om de kijker ervan te doordringen dat deze kinderen vreselijke dingen beleven. Bijna plichtmatig zegt de jongen dat hij blij is dat ze het graf gevonden hebben, nu kan hij er bloemen op leggen.

De interviewster, de Amerikaanse fotojournaliste Patricia Goudvis, neemt de 14-jarige Giovani mee naar een kamp waar misschien zijn moeder verblijft. Ze is vier jaar eerder met haar kinderen naar Honduras gevlucht. Giovani is teruggegaan en heeft met de FMLN meegevochten tegen het regeringsleger. Zijn moeder is niet in het kamp. Terwijl omstanders hem bemoedigend en troostend toespreken, trekt hij met een achteloos gebaar een kam uit zijn zak en kamt zijn haar strak naar achteren. Dan loopt hij wijdbeens, als een kerel, het kamp uit.

Een documentaire als deze heeft geen geënsceneerd drama nodig. Wie alleen maar luistert naar hun verhalen, begrijpt maar al te goed wat deze kinderen hebben meegemaakt en meemaken. “Waar droom je van?”, vraagt Goudvis aan Sebastian van dertien. Hij woont in een "verzetsgemeenschap' in de bergen van Guatemala. Gouvis lijkt te doelen op later, als hij groot is. Maar Sebastian antwoordt: “Ik droom dat ze ons vermoorden. Laatst droomde ik dat ik door soldaten werd achternagezeten. Toen viel ik in de rivier en werd ik meegesleurd. Toen ik wakker werd was ik zo bang dat ik niet meer kon slapen.”

“Je bent nooit echt ontspannen”, zegt Dora van twaalf uit Guatemala-Stad. “Er kan altijd iets gebeuren.” Ze is met haar familie van het platteland naar de stad gevlucht. Met een ernstig gezicht zegt ze: “We zullen moeten knokken voor vrede. Die komt niet zomaar uit de lucht vallen.” Maar even later staat ze stralend deeg te kneden voor broodjes en zegt: “Ze moeten goed plat worden, zonder rimpeltjes.”

Kinderen zijn gelukkig ook kinderen. De veertienjarige Rosario vertelt over de dood van haar broer. Maar eigenlijk wil ze vooral over jongens praten. Ze wil met een "hardwerkende' man trouwen. Rosario vraagt aan de interviewster of ze getrouwd is en hoe oud ze is. Goudvis is ongetrouwd en 39. “Wordt ze dan volgend jaar 35?”, vraagt Rosario aan de tolk. Om er giechelend aan toe te voegen dat Goudvis lelijke rimpels in haar gezicht heeft. “Je mag wel oppassen. Straks kan je helemaal geen man meer krijgen. Zelfs geen weduwnaar.”

Goudvis onthoudt zich gelukkig van commentaar in haar film. Ze leidt sommige verhalen slechts kort in. Het zijn kippevel veroorzakende verhalen. Maar afgezien daarvan voegt ze weinig toe aan andere documentaires over kinderen in deplorabele levensomstandigheden. Of word je gewoon immuun voor dit soort ellende?