De mannen van het vijfde plan vinden elkaar altijd en overal

ISOLA 2000, 16 JULI. Als je niet kan winnen, als je ook geen rol meer in het klassement speelt, waarvoor rijd je dan nog in een bergrit? Om te overleven. Om op tijd binnen te komen. Zodat je ook de volgende dag weer mag starten.

Dat betekende gisteren in de rit van Serre Chevalier naar Isola 2000: niet meer dan elf procent later binnenkomen dan de winnaar. Een respijt van zevenendertig en halve minuut. Dat lijkt heel ruim bemeten. Maar acht renners, onder wie Fignon, gaven de moed al voortijdig op. Zeven renners, onder wie de groene truidrager Cipollini, kwamen te laat over de streep. De prijs van een Koninginnerit: het peloton is vandaag bijna tien procent korter.

Het geheim van het op tijd arriveren? Daar hoeft Maarten den Bakker van de TVM-ploeg geen seconde over na te denken. “In de goeie groep zitten”, zegt hij resoluut. En wat een goeie groep is? Een clubje renners dat ongeveer hetzelfde tempo fietst. Dan krijg je een verbond van lotgenoten. Van gelijk getalenteerden. Van gelijk gestemden. Met een gemeenschappelijk doel.

Je begint de etappe nog als eenling. Je trekt je eigen plan. Bij de eerste klim zover mogelijk voorin zitten, had Den Bakker bedacht. Want stel dat ze al vanaf het begin als gekken gingen rijden. Dat doen ze al de hele Tour. Dan zou het nog klap lastig worden tijdig aan de finish te komen als je op die eerste col al achter lag.

Hij had zichzelf verbaasd door met de eerste dertig over de top te komen. Met mannen als Bugno en Delgado moet je denken. Maar die inspanning was helemaal voor niks geweest. Ze hadden zich na die eerste col gedeisd gehouden. En bij de tweede col had hij toch weer moeten lossen.

Dan kijk je eens om je heen in wat voor gezelschap je je bevindt. Subtoppers, die toch nog steeds een maat te groot voor je zijn? Of van die schlemielen met de wanhoop in hun ogen? Maar nee, hij had geluk gehad: oude bekenden. Degelijke renners. Daarmee red je het wel.

Mannen van het vijfde plan die vinden elkaar. Altijd en overal. Dat was in de eerste Tour van Den Bakker ook al zo. Mannen als Marc Sergeant, Guy Nulens, Franco Ballerini, hij komt ze telkens weer tegen. Een zucht van herkenning gaat door de groep. Van opluchting ook. Hen kan niets meer gebeuren.

Elk voor zich zijn ze dan misschien wel kleine renners. Maar samen staan ze sterk. Daarom heerst er ook een strenge mores in de groep. Ze helpen elkaar. Maar dan moet ieder wel zijn plichten doen.

“Je hebt altijd van die linkeballen”, zegt Den Bakker, “die de hele berg al roepen dat we rustig moeten doen. En die in vlakke stukken niet willen overnemen. Maar op het laatst rijden ze nog wel snel twee minuten weg. Dat vind ik zielig.”

Zulke renners is ook geen lang leven meer beschoren in de goeie groep. Ze krijgen geen drinken meer van collega's. Ze worden niet meer uit de wind gezet. Op hun smeekbeden slaat niemand meer acht. Hadden ze hun werk maar moeten doen. Onbetrouwbare honden.

Gisteren bij de derde klim, dat “alle Jezus eind” naar de Col de la Bonette, zegt Den Bakker, had een stel ook maar steeds weer “rustig, rustig” geroepen. En ze hadden hun tempo vertraagd. In de afdaling waar een sterke wind stond, hadden ze beurtelings kop gedaan. Zo hoort het in een goeie groep. En wie niet meewerkt, wordt daar onmiddellijk op aangesproken. “Zou je niet effe meerijden, vent.”

In die laatste klim hadden ze het nog lekker rustig aan gedaan. Want ze hadden gehoord dat ze ruim twintig minuten achter lagen. Ruim binnen de tijd. “Of je nou 25 minuten verliest, of 30, dat maakt toch niets meer uit”.

Behaaglijk in de veilige schoot van de goeie groep. Maar daar moet je geen illusies over hebben, zegt Den Bakker. “Je hebt elkaar in zulke situaties nodig. Dan is het makkelijk om collegiaal te doen. Straks sta je weer samen in een finale. Dan rijden ze je desnoods het ravijn in om te winnen. Net als in de normale maatschappij.”

Den Bakker kwam als 65e binnen in een groep van 34 renners. Op 28 minuten en 16 seconden van Tony Rominger. Ruim binnen de tijd.