De Blije Terugkeer van het Meisjesboek

Waar zijn toch de meisjesboeken gebleven zoals ze in de dagen van weleer werden geschreven en gellustreerd? NRC Handelsblad nodigt deze zomer een aantal auteurs uit op zoek te gaan naar het klassieke meisjesboek en er een zelfbedacht hoofdstuk van te schrijven. Vandaag als vijfde Aukje Holtrop.

Ze stond voor het raam en trommelde met haar vingers op de ruit. Het regende, en het was lente. De meibloesems bloeiden uitbundig in de tuin, de rozelaar botte uit, en vanuit het vogelhuisje vloog een merel af en aan met takjes voor haar piepend kroost. Maar Ine zag het niet. Ze stond diep in gedachten. En trommelde op de ruit.

De telefoon moet gaan, dacht ze. Iemand moet me nu bellen, nu. Ze kunnen me toch niet zomaar laten stikken. Waar zijn m'n vriendinnen. En als ze niet bellen, zou ze dan het kasboekje en de map met het sierlijke opschrift Correspondentie moeten opsturen?

Ze rilde even, schudde haar donkerblonde krullen met een resoluut gebaar en liep naar de divan met de vrolijke cretonnen sprei. Ze verschikte de kussens en ging, diep in gedachten, zitten. Ze pakte de versleten lappenpop die met lege ogen naast haar lag op de divan. Lieve oude Miesje, dacht ze vertederd. Jij laat me nooit in de steek, jij niet. Ze vleide het oude speelgoed tegen een roze zijden kussentje en stond, rusteloos, op. Liep langs de piano en sloeg een paar maten van Stormy Weather aan, pakte een poëziebundel van het boekenplankje, bladerde erin en zette hem terug. In de gang keek ze, zoals altijd, in de spiegel en zag een aantrekkelijk meisje, eigenlijk al een jonge vrouw, met een ernstige rimpel tussen haar wenkbrauwen. Grijze ogen, een wipneus, regelmatige gelaatstrekken. Ze trok met haar wijsvinger haar rechtermondhoek omhoog. “Lach dan, clowntje”, zei ze, maar de lach bleef bevroren op haar gezicht.

Met een theekopje en een schaaltje koekjes krulde ze zich op de divan. Ze pakte onder het bed een schrift vandaan en begon te lezen. “Woensdagmorgen ben ik naar hem toegegaan, in de bestuurskamer”, las ze hardop. “Toen hij de deur opendeed wist ik het. Niet dat hij niet vriendelijk deed, hij deed maar al te vriendelijk. Ik geloof dat ik scherpe woorden en verwijten beter had verdragen.”

Ze legde het schrift weg en verzonk in gedachten. Wat was er toch allemaal gebeurd, de afgelopen weken. Waarom hadden ze haar, de succesvolle spil van de schoolclub, de betrouwbare gangmaakster, de hartsvriendin van ten minste vier andere hartsvriendinnen, niet langer willen hebben als penningmeester? En waarom was het Wim, uitgerekend Wim geweest die haar kwam vertellen dat er klachten waren over haar werk. “Schijnheilen”, siste ze, terwijl ze Wims vriendelijke, wat bijziende gezicht in gedachten voor zich zag. Het was allemaal gebeurd in het hok dat ze op school de weidse naam van "bestuurskamer' hadden gegeven. Klein, muf, geen ramen, stapels dozen en voorraden van De Big, de concierge, maar wel een tafel met een versleten groen kleed en een paar wankele stoelen. Een echte kamer voor het bestuur van de club "WEWIIEW', Waar Een Wil Is Is Een Weg. En daar had zij jarenlang de penningen van mogen beheren, voor schoolfeesten en declamatiewedstrijden, voor sportdagen en excursies.

“Waarom, Wim, waarom”, had ze gestameld, terwijl ze de tranen voelde opkomen. Nu niet huilen, dacht ze, maar ze wist het: ze was een meisje, een jonge vrouw en op momenten van vreugde zong ze en op momenten van verdriet huilde ze. Maar ze had zich beheerst, toen nog wel.

Wim had niet veel gezegd, aarzelend zijn keel geschraapt. Wim die aarzelde, had ze gedacht. Hij was de afgelopen jaren gretig genoeg geweest. Hij had toch maar al die jaren mooi de voorzitter gespeeld. En nu? “Wat hebben ze over me te klagen? Heb ik een greep in de kas gedaan?” had ze, navrant grappend, geprobeerd.

Wat hij daarna zei, was een nachtmerrie geweest. Gebrek aan vertrouwen verweet hij haar, er was over haar geklaagd, ze was te eigengereid, te bazig. Wat was een penningmeesteres nou helemaal? Ze had haar baantje eigenlijk te serieus opgevat. Een strenge penningmeesteres die geen pardon had met leden die hun geld niet stipt op tijd betaalden. Terwijl ze toch wist dat het een vertrouwensfunctie was én een vertrouwelijke functie.

Was zij dat, had ze zich afgevraagd toen ze Wims woordenstroom over zich heen liet gaan. Gingen deze verwijten over haar, Ine? Toen waren de tranen gekomen en ze liet de gulle, warme stroom vloeien. Wim had daarna niets meer gezegd. Ook niet toen ze beterschap beloofde. Toen ze een beroep deed op hun oude vriendschap. Toen hij een onhandige beweging maakte om haar te troosten had ze zijn hand met een bruuske beweging weggeslagen. Vreemd, dacht ze smartelijk, hoe snel liefde in intense vijandschap kan veranderen. Is dat het leven? Is dat volwassen worden?

Ze was het bestuurshok uitgelopen en stuitte op de gang op haar vriendinnen: Elsa, Margo, Trineke. Ze hielden abrupt hun mond toen ze haar zagen. “Ik ben toch jullie vriendin”, begon ze hakkelend, “we hebben alles met elkaar gedeeld. Weet je nog, Trineke, vorig jaar de zomervakantie? Met de fiets en een tent door Luxemburg? En die zalige nogabonbons, Trien, weet je nog hoe we van ons zakgeld samen een ons kochten?”

Trineke had geknikt en was snel weggelopen. “Margo”, probeerde Ine wanhopig tegen haar andere vriendin die met een hooghartig gebogen mond langs haar heen staarde. “Jullie hebben me toch zelf gekozen als penningmeesteres. We hebben vroeger onze dagboeken nog geruild. En die briefjes van Wim, die stopte jij toch in m'n jaszak?”

De een na de ander waren ze verdwenen en ineens had ze zich gerealiseerd dat ze niet zomaar daar voor de deur van het hok hadden gestaan. Ze wisten wat er zou gaan gebeuren. Ooit hadden ze in dit hoekje van het schoolgebouw afgesproken dat zij altijd, altijd vriendinnen zouden blijven en elkaar nooit in de steek zouden laten. Niet zoals die andere meiden uit de hogere klassen altijd deden, als ze verkering met jongens kregen. En toch was dat gebeurd. Ze hadden haar verraden uit jaloezie, bedacht ze, niet vanwege haar werk als penningmeester, maar vanwege Wim. Vanwege haar plaats achter de groene bestuurstafel, en op de voorste rij bij het jaarlijkse schoolfeest. Ze waren jaloers op haar mooie krullen, op haar jurken die uit het buitenland kwamen, op haar hoge cijfers voor wiskunde en Frans.

Ze trok haar zomermantel aan en liep met betraande ogen het schoolgebouw uit. Het schoolplein baadde in de zon. Ze knipperde met haar ogen tegen het scherpe licht en liep als verblind naar de fietsenstalling.

Lusteloos fietste ze naar huis, naar het knusse huis in de buitenwijk. Op haar oergezellige kamer kwam opnieuw een bevrijdende huilbui. Maar het was niet meer alleen verdriet dat ze voelde. Langzaam maakte haar droefheid plaats voor woede. Ze zou wraak nemen. Ze zou..., ze zou brieven gaan schrijven. Ze zou gaan opbellen. Ze zou zich niet laten kisten. Of nee, zij zou niet bellen, ze zouden háár bellen, dat wist ze zeker. Vriendschap kon toch niet zomaar verdwijnen?

Uren later kwam Ine met een schok bij uit haar mijmerijen. De telefoon was niet gegaan. Geen van haar vriendinnen had gebeld. Dat was het bewijs, wist ze. Vriendschap verdwijnt. De beloften bij het hok waren niets waard gebleken. Vriendschap is iets voor schoolmeisjes, dacht ze bitter. Volwassenen verraden elkaar.

Toen ze met een afgetrokken gezicht in de huiskamer verscheen vroeg haar moeder alleen maar of het leuk was geweest op school. “Ja, heel leuk”, had ze als mechanisch geantwoord. En als een robot had ze tafelgedekt, gegeten en afgewassen. Ik ben volwassen, dacht ze toonloos.