Conclusie na traditionele slechte dag: “Te licht voor het zware werk”; Breukink zal zijn blik moeten verruimen

ISOLA 2000, 16 JULI. Hotel Le Pas du Loup in Isola 2000, gistermiddag. Op weg naar de lift zag Gianni Bugno zijn collega Erik Breukink op een bank zitten. Een ontgoocheld hoopje mens, omringd door een groep journalisten. Bugno reikte Breukink de hand en één seconde keken ze elkaar in de ogen. Een aangrijpend tafereel, twee zware Tourverliezers vonden troost bij elkaar.

Bugno kreeg ook de tweede zware Alpenetappe een pak slaag, voor Breukink was het zijn eerste echte opdoffer. Een stevige. Negen minuten en zevenenveertig seconden na winnaar Tony Rominger en gele truidrager Miguel Indurain passeerde hij de finish. “Uitgewoond”, zoals hij het zelf omschreef. Op de voorlaatste berg, de gruwelijke Col de la Bonette met zijn slechte, smalle en bochtige wegen, ontdekte hij dat de kaars langzaam uitging. Zo lang mogelijk probeerde hij in de buurt van de toppers te blijven, maar hij moest lossen. Het was het begin van die onvermijdelijke slechte dag, waarop hij wel een patent lijkt te hebben. “En daar doe ik absoluut niets aan”, legde de getekende renner uit. “'s Morgens merk ik er nog niks van. Het overkomt me, het is een kwestie van kracht. Ik heb niet zo veel inhoud. Je moet met die beperking leren leven. Heb ik een superdag, dan zit ik erbij. Dan ga ik met Chiappucci mee. Maar toen Claudio me vandaag op de Bonette vanuit de achterhoede inhaalde, was ik machteloos. Hij reed zo van me weg. Ik moest naar de 23 terugschakelen, hij hanteerde nog makkelijk de 21 of zelfs de 19.”

Breukink bekende in Isola 2000 “misschien te licht te zijn voor het zware werk. Maar hoe kan ik mezelf sterker maken? Ik train me wezenloos, houd me aan de oefenschema's van ploegleider Saiz. En ik rijd heel veel koersen in die acht seizoenen dat ik al prof ben. In 1990 werd ik derde in de Tour, dat haal ik niet meer. Zeker niet, omdat de tegenstanders sterker zijn geworden en de top breder.” Heeft de ronderenner Breukink dan afgedaan? Nee, want de 29-jarige coureur uit Kalmthout hoort in la Grande Boucle thuis, al was het maar om zijn kwaliteiten als tijdrijder. Toch zou de kopman van Once kunnen onderzoeken of hij méér kan. De Tour is weliswaar dé wedstrijd van het jaar, maar natuurlijk niet de enige.

Er zijn renners die op rijpere leeftijd ontdekten dat ze over andere kwaliteiten beschikten dan ze zelf wisten. Neem Sean Kelly. Jaren lang werd de Ierse vechtjas voor een pure sprinter versleten, terwijl hij veel en veel méér in zijn mars had. Als de Ier eerder van die andere talenten op de hoogte was geweest, had hij meer klassiekers kunnen winnen en - wie weet - in de jaren tachtig zelfs een keer de Tour. Hennie Kuiper is een ander voorbeeld. Bij Raleigh en later in dienst van Peugeot was hij helemaal gefixeerd op de Ronde van Frankrijk, alles stond in het teken van 's werelds grootste wielerspektakel. Kuiper kon in de Tour nèt niet triomferen (twee keer tweede) en verlegde zijn aandacht naar de grote eendaagse koersen. Op oudere leeftijd schreef hij nog de Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix, Milaan-Sanremo en de de Ronde van Lombardije op zijn naam. Niet niets.

Kuiper, in deze Tour ploegleider van Motorola, zei gisteren zich meer dan eens te hebben verdiept in de ontwikkeling van Breukink. “Ik denk niet dat hij als Tourrenner moet wanhopen”, vond Kuiper, “net als in de eerste Alpenrit had hij vandaag de pech alléén te komen zitten, en dan doe je een jasje extra uit. Het manco van Breukink vertoont volgens mij overeenkomst met dat van Bugno. Ze moeten een te zware versnelling draaien, of ze willen of niet, ze rijden onvoldoende op souplesse. Dat hebben ze nooit geleerd. Jammer genoeg is dat op hun leeftijd niet meer te veranderen.” Kuiper zei het heel goed mogelijk te achten dat Breukink een uitblinker wordt in de klassiekers, als hij zich daarop toelegt. “Claude Criquielion” verduidelijkte hij, “zette aanvankelijk ook alles op de Tour. Later mikte hij op Luik-Bastenaken-Luik en de Waalse Pijl. Met succes. En uiteindelijk werd hij ook nog eerste in de Ronde van Vlaanderen met zijn kasseienstroken. Waarom zou Breukink dat niet kunnen?”

Kuiper had nòg een voorbeeld voorhanden. “Bernard Hinault haatte Parijs-Roubaix, meed die wedstrijd zelfs lange tijd. Omdat hij die stenen maar niks vond, die klassieker had in zijn ogen niets met wielrennen te maken. Eén keer maakte hij zich kwaad, voelde zich uitgedaagd en verscheen tot ieders verbazing aan de start. Hij won en ontdekte ineens dat hij eigenlijk ook een specialist op de keien was.” Wie weet gaan dergelijke of andere nog onbekende kwaliteiten ook in Erik Breukink schuil.