Belasting op vaartuigen van de baan

DEN HAAG, 16 JULI. Het kabinet ziet - na felle kritiek van de Raad van State - af van het voornemen om een vaarbelasting in te voeren. Dat heeft de ministerraad deze week besloten tijdens de besprekingen over de begroting voor volgend jaar.

Staatssecretaris Van Amelsvoort (financiën) was van plan om bezitters van pleziervaartuigen langer dan 7,50 meter en eigenaren van motorboten die sneller dan 20 kilometer per uur kunnen varen, met ingang van 1994 belasting voor hun boot te laten betalen. Van Amelsvoort presenteerde dit voorstel begin januari.

Het was een tweede poging van Van Amelsfoort nadat de Raad van State felle kritiek had op het eerste voorstel. Deze kritiek spitste zich toe op het feit dat ook kleine boten (bijvoorbeeld roeiboten) onder de belasting zouden vallen. Van Amelsvoort heeft gepoogd dit te ondervangen door in het tweede wetsvoorstel een ondergrens van 7,5 meter voor pleziervaartuigen aan te geven.

De Raad van State had ook scherpe kritiek op het tweede wetsvoorstel om pleziervaartuigen te belasten. De Raad van State meent dat er zoveel geld is gemoeid met de uitvoerbaarheid en de controle, dat er weinig van de opbrengst overblijft.

De vaarbelasting zou bijna 90 miljoen gulden per jaar moeten opbrengen. Omdat de invoering van de vaarbelasting al was vertraagd, is met ingang van 1 januari de accijns op diesel met één cent extra verhoogd. Die cent zou worden geschrapt als de nieuwe wet ingaat. De financiële gevolgen van het niet invoeren van een vaarbelasting zijn een onderdeel van de begrotingsbesprekingen voor volgend jaar.