Ballingschap

Een avondje Jan Raas, dat was lachen vroeger. Veel pils, soldatenhumor, Zeeuwse saga's. In een vrouw met een beetje decolleté zag de ploegleider algauw de Glandon en de Galibier naast elkaar oprijzen. Dat soort volkspret. Maar ook, altijd die sluwe mengeling van zelfspot en mercantiele ambitie. Jan Raas: een ex-kampioen die niet betoverd was door zijn eigen spiegelbeeld, gewoon handen in de broekzakken. Onbespoten dobberend op de swing van eeuwigheid naar zaligheid.

Où sont les neiges d'antan?

Ik zie hem nu in de Tour lijden. Achter de per dag vervalende maskers. Raas beleeft in deze Ronde van Frankrijk zijn intieme ballingschap. Hij zegt steeds minder in steeds kortere zinnen. Woorden die uit kooien komen gevallen. Vroeger kon hij in de volgwagen tenminste nog balken als een zieke kat. Nu zit hij als een geknakte filtersigaret achter het stuur. Eens aan de arrivé voltooit hij zijn interieure klaagzang in een aanval van slecht humeur. Doelloos drentelend rond zijn eigen schemering staat hij daar dan. Als een zigeuner die de graal maar niet kan vinden.

De renners van Raas winnen niet meer. En de ploegleider kan niet leven met het geluid van de nederlaag. Hij die zelf als de gesel Gods kon demarreren, duldt geen slapjanussen in zijn team. Maassen, Nijdam en Van Hooydonck rijden al een heel jaar met pap in de benen. Ze zitten op hun fiets alsof ze door een beer zijn besprongen. Ze koersen als een accordeon: in de breedte. “Dat schiet niet op”, tiert Raas. Maar niemand luistert.

Ik maak me zorgen over de trotse Zeeuw. Op een avond, in Verdun, zag ik hem tegen de wolken praten. Zo hoog had Raas nog nooit gegrepen voor een monoloog. De golven weerkaatsten een rozenkrans van vloeken. Wel een uur lang stond hij daar, een sintel in de nacht. De tirade stierf uit in een vaag gemopper. Viel daar niet de naam van Hedy? Het klonk als een scheldwoord maar misschien lag dat aan de schrale zeewind die plotseling over de ploegleider scheerde.

Jawel, de volgende ochtend deelt de directie van Wordperfect mee dat Hedy d'Ancona naar de Tour komt. In de Pyreneeën. Ze zal een etappe volgen in de wagen van Jan Raas. Als dat maar goed afloopt. De ploegleider is een warme gastheer, zelfs met gevoel voor protocol. Maar in deze Tour is dat te veel gevraagd. Zolang geen van zijn renners met de armen in de lucht over de meet is gegaan, is Jan Raas niet aanspreekbaar in zijn vloeibare ik.

Mevrouw d'Ancona en meneer Raas naast elkaar in de volgwagen: scherven zijn hartelijker.

Hedy: “Heb ik dat nu goed? Rijden er ook vrouwen bij de volgers?”

Jan: “Alles verandert.”

Hedy: “Zie je al die bermtoeristen daar, de fabriek lijkt wel uitgelopen.”

Jan: “Zo was het altijd.”

Hedy: “Er staan veel Nederlanders langs de weg.”

Jan: “Is elk jaar zo.”

Hedy: “Er zijn renners afgestapt. Wat een lange plaspauze, zeg.”

Jan: “Het moet er toch uit.”

Hedy: “Hoor je dat? Chiappucci is gevallen.”

Jan: “Iedereen valt, zelfs regeringen.”

Hedy steekt een sigaret op en zwijgt.

De avond na de etappe mag de minister met de renners mee aan tafel zitten. Ze gloeit een beetje bij de eerste ronde zinnen van de dag die over haar neerdalen, in het onvervalst Limburgs van Frans Maassen. Soigneur Van Heel onderricht de excellentie over de gevaren van het EPO-hormoon waarmee in sommige ploegen wordt geëxperimenteerd. Ook met warme stem. Bedwelmd door de weelde van een normale, zelfs vriendelijke conversatie kust de excellentie het hele team bij het afscheid.

Jan Raas maakt het allemaal niet meer mee. De ploegleider heeft zich beleefd afgemeld voor het avondeten. Schijtziek: Nijdam halverwege de rit in de bezemwagen gekropen, Alcala alweer op twintig minuten gereden. Jan belt Anja.

“Heeft het geregend in 's Heerenhoek?”

“Hier ook.”