Amerikanen vinden erfelijke basis voor mannelijke homoseksualiteit

WASHINGTON, 16 JULI. Amerikaanse genetici hebben een DNA-segment gelokaliseerd dat een rol lijkt te spelen bij de bepaling van de homoseksuele geaardheid van mannen. Het al langer bestaande vermoeden dat homoseksuele geaardheid althans ten dele erfelijk bepaald is, wordt hiermee aanzienlijk versterkt. Het artikel waarin dit resultaat staat beschreven, verschijnt vandaag in het wetenschappelijke tijdschrift Science.

De auteurs, een groep biochemici van het Amerikaanse National Cancer Institute in Bethesda onder leiding van Dean H. Hamer, onderstrepen dat hun werk slechts een vroege toepassing is van genetische koppelingsstudies met betrekking tot menselijk gedrag. In de afgelopen paar jaar moesten claims voor de lokalisering van genen voor geestesziekten als manische depressiviteit, schizofrenie en alcoholisme later worden ingetrokken. De studie behoeft daarom herhaling door onafhankelijke onderzoekers. Niettemin bestaat er onder collega-genetici veel vertrouwen in het resultaat, omdat een aantal methodologische valkuilen in deze studie is omzeild.

Hamer en zijn collega's begonnen met een stamboomonderzoek onder families waarin homoseksuele mannen voorkwamen, in de hoop uit vergelijkende analyse een genetische factor op het spoor te komen. Dat aan homoseksuele geaardheid althans ten dele een erfelijke aanleg ten grondslag ligt, was al langer bekend uit studies met onder meer tweelingen.

De onderzoekers ondervroegen een groep van 114 homoseksuele mannelijke vrijwilligers over de seksuele geaardheid van hun vaders, broers, ooms en neven. Deze informatie werd vervolgens uitgebreid geverifieerd, waarna de onderzoekers keken naar het patroon van overerving. Uit de analyse bleek dat 13,5 procent van de broers van de homoseksuele mannen in de studie ook homoseksueel waren, een veel hoger percentage dan in de bevolking als geheel. Dit bevestigde soortgelijke observaties in vroegere studies.

Maar bij de verdere verwanten ontdekten Hamer en collega's iets opmerkelijks: homoseksualiteit kwam onder ooms en neven van moederszijde veel meer voor dan onder die van vaderszijde (en in de bevolking als geheel). Dit suggereerde dat althans één type aanleg voor homoseksualiteit via de moeder overerft. En dus dat de vermoedelijke genetische factor ligt op het X-chromosoom, het geslachtschromosoom waarvan mannen in hun cellen één en vrouwen twee exemplaren bezitten. Vrouwen hebben twee X-chromosomen, mannen een X- en een Y-chromosoom. Mannen kunnen hun Y-chromosoom alleen maar van een andere man, dus hun vader, hebben gekregen; hun X-chromosoom hebben ze dus altijd van hun moeder.

De Amerikaanse onderzoekers begonnen een speurtocht op het X-chromosoom met een standaard genetische techniek die koppelingsanalyse heet. Deze techniek maakt gebruik van het feit dat broers gemiddeld ongeveer 50% van de genen op hun chromosomen gemeen hebben. Wanneer ze beiden homoseksueel zijn als gevolg van een gen op chromosoom X, dan moet dat gen liggen op het gebied dat ze beiden gemeen hebben. Door een groot aantal paren broers met elkaar te vergelijken, kan men het gemeenschappelijke gebied steeds preciezer vastpinnen.

Daarbij maakt men gebruik van zogeheten "genetische merkers', bekende stukjes variabel DNA waarvan de plaats op het chromosoom bekend is en die over de hele lengte van het chromosoom verspreid liggen. Blijken in een uitgebreide koppelingsstudie alle onderzochte broers een rijtje merkers gemeen te hebben, dan is de waarschijnlijkheid groot dat de erfelijke aanleg in dat gebied ligt.

Hamer en collega's voerden hun koppelingsanalyse uit met 40 paren homoseksuele broers. Het bleek dat 33 van hen een rijtje van vijf merkers aan het eind van de lange arm van het X-chromosoom gemeen hadden. De statistiek geeft aan dat dit gebied met een waarschijnlijkheid van meer dan 99 procent het gen of de genen bevat die bij deze groep mannen de homoseksuele geaardheid bepaalt. Het gebied is vier miljoen baseparen of "genetische letters' lang en bevat mogelijk honderden genen.

De volgende stap is, om in deze hooiberg van genen de juiste speld - het gen of de genen betrokken bij de bepaling van de seksuele geaardheid - te vinden. Dat kan op verschillende manieren, bijvoorbeeld door nog uitgebreidere koppelingsanalyse of door DNA-volgordebepaling van het hele gebied. Dit kan zeer tijdrovend zijn - het gen voor de ziekte van Huntington bijvoorbeeld werd pas gevonden ruim tien jaar nadat het op het uiteinde van chromosoom 4 was gelokaliseerd.

Voordat de race om het gen - naar de functie waarvan alom grote nieuwsgierigheid bestaat - losbarst, zal de studie van Hamer eerst door anderen moeten worden bevestigd. Dat kan waarschijnlijk snel - mogelijk nog dit jaar. Maar volgens de eerste commentaren in Science is het vertrouwen groot dat de conclusies van Hamer juist zullen blijken. Men wijst niet alleen op Hamers degelijke reputatie, maar ook op een aantal methodologische voordelen ten opzichte van eerdere, inmiddels teruggetrokken genetische studies naar erfelijke geestesziekten.

Hamer onderstreepte in een commentaar dat het gen of de genen op chromosoom X “niet alle mannelijke homoseksualiteit kan verklaren”. Van de 40 paar broers in zijn studie hadden er 7 het DNA-segment niet, terwijl in sommige families de overerving juist via de vaderszijde lijkt te verlopen. Waarschijnlijk spelen er dus verscheidene genetische factoren een rol bij de aanleg voor homoseksuele voorkeur bij mannen, en daarnaast mogelijk ook omgevingsfactoren.