Turkije sluit ander beleid jegens Koerden uit

ANKARA, 15 JULI. De haviken in Turkije - zowel binnen het leger als in de politiek - hebben voorlopig het pleit gewonnen en politieke hervormingen met betrekking tot de Koerden zijn niet aan de orde. Dat wordt in de hoofdstad Ankara opgemaakt uit de uitspraak van president Süleyman Demirel dat “zolang terreur niet is bestreden zelfs culturele zaken niet ter discussie kunnen worden gesteld”.

De Turkse regering gaf de legerstaf zondag al volledige politieke steun bij de bestrijding van de Koerdische opstand in het oosten en zuidoosten van het land. Maar premier Tansu Çiller liet de afgelopen dagen tijdens een rondreis langs de politieke partijen doorschemeren dat wat haar betreft culturele hervormingen als de invoering van Koerdisch als keuzevak op de scholen en televisieuitzendingen in het Koerdisch (in een eerder stadium al voorgesteld door wijlen president Turgut Özal) bespreekbaar zijn. Zij stelde voor om een parlementaire commissie, bestaande uit vertegenwoordigers van alle politieke partijen, samen te stellen die zich met het probleem van de nationale veiligheid zou moeten bezighouden. In de Turkse pers was deze commissie al omgedoopt tot een burgerlijke uitvoering van de Nationale veiligheidsraad, een orgaan dat stamt uit de tijd dat de generaals de dienst uitmaakten in Turkije ('80-'83) en dat de regering adviseert over zaken met betrekking tot de nationale veiligheid. De adviezen worden vrijwel altijd overgenomen door het bewind in Ankara.

Uit de gesprekken tussen de leiders van de politieke partijen en premier Çiller werd duidelijk dat de animo om "liberale maatregelen' te treffen met betrekking tot de Koerden ook in deze kringen niet erg groot is. Bovendien is de voorzitter van het parlement, Hüsamettin Cindoruk, tegen de instelling van de door mevrouw Çiller voorgestelde parlementaire commissie, waarmee hij in feite aangeeft dat ook wat hem betreft terreurbestrijding de enige manier is om de Koerdische Arbeiders Partij (PKK) te ontmantelen. President Demirel drukte de premier verder op het hart dat “elke politieke oplossing in relatie tot terreur Turkije op de knieën dwingt tegenover (de) 5.000 mensen (van de PKK).

Politieke waarnemers uit de meer radicale hoek in Ankara menen dat de poging van premier Çiller om zichzelf als een voorstander van culturele hervormingen met betrekking tot de Koerden te portretteren, in wezen een verkapte manier was om de weg voor de militairen vrij te maken. Want het feit dat er in Ankara geen politiek draagvlak is voor een liberale aanpak met betrekking tot het Koerden-vraagstuk, geeft Çiller immers het politieke wapen om te stellen dat er niets anders overblijft dan het leger te volgen, dat inmiddels al een "totale en definitieve operatie' in Oost-en Zuidoost-Turkije is gestart.

Maar in feite zouden de militairen het bestuurlijk vacuüm, ontstaan door het ontbreken van een concrete politiek met betrekking tot de Koerden, in een eerder stadium al hebben opgevuld door de ontwikkelingen in het oosten en zuidoosten van Turkije volledig in eigen hand te nemen. De politieke steun van de regering in Ankara voor de militaire operatie in het Koerdische deel van het land wordt dan ook aangemerkt als een manier om de undercover coup wit te wassen en de politieke toekomst van Çiller voorlopig veilig te stellen.

In ieder geval is duidelijk dat de algemene opvatting in Ankara op dit moment is dat er geen sprake kan zijn van een tweesporenbeleid - aan de ene kant hervormingen, aan de andere kant militaire maatregelen om de Koerdische terreur te bestrijden - dat in Westerse diplomatieke kringen in Turkije juist als een uitweg wordt gezien. Demirel en de legerstaf, als de meest uitgesproken woordvoerders, claimen dat eerst de Koerdische terreur moet worden uitgeroeid voordat er over wat dan ook gepraat kan worden.

Hiermee gaat men voorbij aan het feit dat de opstand in het oosten en zuidoosten voor een belangrijk deel zijn oorsprong vindt in het gebrek aan rechten en vrijheden voor de Koerdische bevolking, zoals met name ook de Koerdische parlementariërs beweren. Hun eigen positie staat nu ook op het spel, nu het constitutionele hof in Ankara gisteren heeft besloten om de Volks Arbeids Partij (HEP) te verbieden, omdat deze zich schuldig zou hebben gemaakt aan het uitdragen van (Koerdisch) separatistische opvattingen.

De HEP ging bij de algemene verkiezingen in 1991 een lijstverbinding aan met de Sociaal-Democratische Volkspartij (SHP), waardoor de Koerdische afgevaardigden SHP-vertegenwoordigers werden in het parlement. Op één afgevaardigde na, Fehmi Isiklar, tevens een van de vice-voorzitters van het parlement, keerden de Koerdische politici later terug naar de HEP.

Om te voorkomen dat ze hun parlementszetels zouden verliezen verenigden de HEP-afgevaardigden zich maandag in een nieuwe Democratische Partij (DEP). Omdat Isiklar zijn lidmaatschap van de HEP nooit heeft opgezegd, wordt hij nu uit het parlement gezet. Over de positie van de andere Koerdische afgevaardigden beslist parlementsvoorzitter Cindoruk binnenkort.