Top-5 bedrijven is al sinds 1930 ongewijzigd

DEN HAAG, 15 JULI. De top 100 van Nederlandse bedrijven wordt sinds 1930 onveranderlijk aangevoerd door dezelfde vijf: Koninklijke Olie, Philips, Unilever, AKZO en DSM. Dit blijkt uit een historische analyse die onderzoekers aan de Vrije Universiteit in Amsterdam hebben uitgevoerd.

De studie, verricht in opdracht van de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT), beslaat de periode 1913-1990. Al sinds 1913 is Koninlijke Petroleum nummer één op de lijst, die tot stand komt door de vermogenswaarde van de bedrijven in percentages van het Bruto Nationaal Inkomen uit te drukken. Daarna volgen Philips, Unilever, AKZO en DSM.

Dezelfde vijf zijn, op wisselende posities en soms onder andere namen (AKU, Staatsmijnen), sinds 1930 in de top 5 te vinden. Bij de eerste meting, in 1913, werd Koninklijke Petroleum gevolgd door bedrijven met namen als Van den Bergh, Van Heek/Schuttersveld, Jurgens en Wessanen. Een voorbeeld van een bedrijf dat permanent in de top 100 is te vinden is Sphinx: 23ste in 1913, 100ste in 1950 en 51ste in 1990.

De 100 grootste industriële bedrijven hadden in 1913 een totale vermogenswaarde van 20 procent van het BNI, in 1973 van 69 procent en in 1990 van 58 procent. Koninklijke Petroleum alleen nam in dat laatste jaar 21 procent voor zijn rekening. Het onderzoek laat verder zien dat de Nederlandse bedrijven die in de sub-top (6 tot en met 30) staan, in het algemeen tussen 1880 en 1920 zijn opgericht en vooral door fusies zijn gegroeid. De laatste vijf in de top 100 van 1990 waren achtereenvolgens: Thomassen, ASZ Holding, Lips United, Homburg en Van Dorp. In 1973 waren dat Van Melle, Braat Bouwstoffen, Sanders Behang, Wegener's Couranten en de Leidsche Wolspinnerij.

De AWT constateert dat in de top 100 de olie- en voedingsmiddelenindustrie zijn oververtegenwoordigd en de sectoren transport, machinebouw en metaalprodukten ondervertegenwoordigd. Opvallend is, aldus de AWT, dat die situatie in Duitsland precies andersom is. De lijsten van de top 100 zijn in beide landen dus complementair. De onderzoekers van de VU vinden dat de overheid hiermee rekening moet houden. Volgens hen kan het Nederlandse beleid het beste worden gericht op de "zwakke' kanten van de Duitse industrie en is het beter is de sterke kanten van de Nederlandse industrie te vergroten in plaats van te proberen een eigen transportmiddelenindustrie te handhaven.