Terug het bos in

Gevangen orang oetans wordt geleerd weer vrij te zijn. Maar het reservaat op Sumatra wordt steeds kleiner. Er is kritiek op het WWF: niks duurzame ontwikkeling - gewoon soortsbescherming moet er weer komen.

De bus die de hobbelige weg naar Bukit Lawang volgt, stopt bij de eerste stukjes regenwoud. Langs de weg staan twee natte Nederlanders, die op opgeblazen binnenbanden de Bohorok rivier zijn komen drijven en nu terug willen naar het Gunung Leuser Reservaat.

Het dorp Bukit Lawang, aan de rand van dit Sumatraanse natuurpark, is een populaire pleisterplaats voor toeristen. Ze komen er aan het oerwoud ruiken, en goedkoop slapen en eten in de kleine hotels en restaurants langs de rivier. Tot diep in de nacht blazen de Emerald Grass Garden en de Jungle Inn nummers van Deep Purple en Bob Marley het oerwoud in. Dit is op tweehonderd meter afstand van een reddingsoperatie voor orang-oetans, de aanleiding voor de toeristische belangstelling. Hier worden voormalige huisdieren en in beslag genomen dieren opgeleid voor een zelfstandig bestaan in het wild.

Orang-oetans, de eenzelvige oranje-rode mensapen met de peinzende blik, die alleen voorkomen op Sumatra en Borneo, brengen goed geld op in de illegale dierenhandel. Ondanks internationale sancties worden vrouwelijke dieren nog steeds geschoten om hun jongen te bemachtigen. Bij de houtkap gevangen dieren komen eveneens op de illegale markt terecht. Wanneer ze de reis overleven, belanden ze in een obscure dierentuin of krijgen de rol van statusverhogend huisdier.

Tenzij ze voor die tijd in beslag worden genomen. Sinds Taiwan is toegetreden tot de Conventie van Washington, die de handel in bedreigde diersoorten verbiedt, zitten alleen al in dat land meer dan tweehonderd orang-oetans te wachten op rehabilitatie.

Het Bohorok Orangutan Rehabilitation Centre bij Bukit Lawang is een van de drie stations waar men zich richt op het trainen van zulke dieren op overleving in hun natuurlijke milieu. Men probeert ze van de mens - hun grootste vijand - te vervreemden. Het centrum werd in 1973 opgericht door de Zoölogische Vereniging van de dierentuin van Frankfurt, en ging in 1980 over in Indonesische handen.

De jonge mensapen leren opnieuw de beginselen van een vrij bestaan, zoals klimmen, het maken van een slaapnest en het vinden van voedsel. Daarna worden ze vrijgelaten bij het voederstation van het centrum. Tweemaal daags krijgen ze daar een eentonig maal van bananen en melk, dat ze moet stimuleren zelf aantrekkelijker voedsel te zoeken. Belangstellenden kunnen tegen betaling de voederingen bijwonen. In de loop van de jaren zijn deze uitgegroeid tot een trekpleister.

's Ochtends rond tien uur komt de bezoekersstroom op gang. De ochtendploeg bestaat dit keer uit zo'n veertig mensen. Twee dieren wachten de bezoekers op en volgen ze hoog in de bomen naar de voederplaats, af en toe takjes gooiend naar al te luidruchtige mensen. Twee parkwachters klimmen naar een platform tussen de bomen en lokken de dieren door met een tak op een boomstam te slaan. Indrukwekkend zwaaiende boomtoppen kondigen de komst van een derde dier aan. De eerste twee nemen bananen in ontvangst en vervoeren een onwaarschijnlijk groot aantal daarvan in de mond naar een rustiger plek. Het derde dier, een jong vrouwtje, krijgt een melkkan aan de lippen gezet.

Wanneer de dieren zich onder het gesnor van videocamera's en het nasale gejank van compactcamera's hebben volgegeten, blijven de rangers ze lokken. Eén van de dieren komt op de uitgestoken melkkan af, en krijgt de inhoud over zich heengegooid. In een dreigend "had je wat' gebaar heft hij herhaaldelijk de kin op tegen de man, tot hilariteit bij het publiek. Na afloop van de voedering loopt men tevreden terug. "Normaal geven we ze maar zo'n acht of tien bananen, maar nu waren er zo weinig dieren, en zoveel toeristen dat we meer gegeven hebben. En veel te veel melk,' vertelt de ranger lachend, "anders zijn ze zo weer weg.'

Bestellen

Het jagen op orang-oetans is in Indonesië eigenlijk al sinds 1925 verboden. Wat later kwam er ook een verbod op het vangen van de dieren. Toezicht op naleving van de wet ontbrak, tot in de jaren zeventig de achteruitgang van de orang-oetan internationaal de aandacht trok. Tot die tijd konden dierentuinen en onderzoekscentra in feite zoveel dieren bestellen als ze wilden.

"De wet is in 1990 zo aangepast dat het in huis houden van bedreigde diersoorten strenger verboden is.', vertelt Riswan Bangun, hoofd van het centrum. Hij trekt de nieuwe verordening uit zijn la. Hij wijst tevreden op een Indonesische zinsnede met één Nederlands woord, waarin wordt gemeld dat met de nieuwe wet de oude "Natuurbeschermingsordonnantie" vervalt. "De nieuwe verordening is beter, maar we zijn nu ook van die naam af'.

De aanvoer van orang-oetans loopt nu terug. Vrijwel alle op Sumatra als huisdier gehouden orang-oetans zijn nu wel op het centrum binnengekomen, schat Bangun. Ze worden regelmatig ook vrijwillig door hun bezitters afgestaan, die erachter zijn gekomen dat volwassen mensapen niet alleen lastige, maar ook gevaarlijke huisdieren kunnen zijn.

In de afgelopen negentien jaar zijn 187 orang-oetans bij het centrum binnengekomen. Van deze dieren overleefden 132 de quarantaine-periode en de eerste fase van vrijlating. Het centrum heeft nu een twintigtal apen onder zijn hoede. Bangun: "Sommige dieren trekken, wanneer ze volledig zelfstandig zijn, weg van de voederplaats. Vaak zijn dit vrouwtjes, die een wilde man volgen. De meeste brengen we uiteindelijk zelf verder het reservaat in, zo'n twintig kilometer hiervandaan. Maar het gebeurt regelmatig dat ze dan toch weer naar de voederplaats terugkomen.'

Orang-oetans uit een kooi moeten leren klimmen, maar doen dit snel. Iets anders is dat ze ook moeten leren dat ze niet op de grond mogen komen - daar staan ze teveel bloot aan roofdieren en voetinfecties. Wanneer ze in hun trainingstijd op de grond komen krijgen ze, aldus Bangun, "een flinke klap met een grote stok', simpel en effectief. Volgens hetzelfde principe worden de dieren aan het eind van hun leertijd bang gemaakt voor mensen. Het bezwaar hiervan is dat de dieren weliswaar voor de rangers vrees krijgen, maar niet voor toeristen.

Dagjesmensen

In het hoogseizoen laten maandelijks tweeduizend mensen zich de rivier overvaren naar het station. Bangun: "Vroeger stelde het centrum een maximum van vijftig bezoekers per dag, maar het zijn er nu veel meer. De meeste moeite hebben we met de lokale toeristen uit Medan. In het weekend dalen de dieren af naar de rivier, wachten de mensen op en eten wat ze kunnen krijgen.'

En dat is veel. De dagjesmensen komen beladen met tassen eten, soms met een radio in een vrije hand, om te picknicken op het station. "De orang-oetans eten alles wat overblijft. Ze pakken tassen af, soms een rugzak, die ze ergens in een boom uit elkaar plukken. De dieren worden te vertrouwd met mensen, waardoor het rehabilitatieproces veel langer duurt.' Bangun voelt niets voor beperking van het aantal bezoekers. "Als mensen hier speciaal naar toe zijn gekomen, kunnen we niet "nee" zeggen.'

Jungle-treks

Een tweede probleem is er met het toenemende aantal toeristische jungle-treks vanuit Bukit Lawang, geleid door plaatselijke gidsen. "Die laten veel rommel in het reservaat achter, zoals sardineblikjes en flessen. De dieren verwonden zich eraan. Ook worden de dieren gevoerd, ondanks ons verzoek dat niet te doen. We hebben de laatste tijd problemen met dieren die gidsen aanvallen. Maar door de toeristen laten ze zich gewoon aanraken.'

Rehabilitatie-stations voor orang oetangs zijn destijds opgezet in gebieden waar de vrijgelaten dieren gemakkelijk in contact konden komen met hun wilde soortgenoten. Men dacht dat de soort door jacht en stroperij vrijwel op uitsterven stond. De in beslag genomen apen wilde men gebruiken om de wilde populatie te versterken. Later bleek het aantal dieren dat nog in het wild voorkomt mee te vallen, en dat habitat-verlies het grootste probleem voor de soort vormt.

De schattingen van de aantallen waarin de Sumatraanse ondersoort van de orang-oetan nog voorkomt lopen sterk uiteen. De meest recente tellingen kwamen uit op 7.00 tot 11.000 dieren. De populatie van de Borneo orang-oetan is vooralsnog groter. Maar van het in de jaren zeventig geschatte aantal van 50-60.000 zijn nu niet meer dan 10.000 tot 15.000 dieren over.

Chromosoom-opmaak

De orang-oetans van Sumatra en Borneo verschillen in uiterlijk, en hebben een duidelijk verschillende chromosoom-opmaak. In de fokprogramma's van dierentuinen worden deze dieren zorgvuldig uit elkaar gehouden. Niet alleen om het bestand zuiver te houden, maar ook omdat kruisingen mogelijk minder vruchtbaar zijn.

Dieren van onbekende herkomst kunnen later op het verkeerde eiland worden uitgezet. Zo'n fout zou ondermijning van de wilde populatie tot gevolg kunnen hebben. Er zijn aanwijzingen dat bij rehabiliatie van dieren daarmee niet altijd even nauwgezet is omgesprongen. In Bukit Lawang ziet men hierin geen probleem: men houdt de dieren uit elkaar aan de hand van de vachtkleur. Maar dat de dieren van Borneo donkerder gekleurd zijn is niet waar - het is soms waar.

Er is nog een ander risico. Orang-oetans zijn erg vatbaar voor ziekten van de mens - niet voor niets worden ze in dierentuinen door glas van het publiek gescheiden. Uitgezette dieren kunnen dus een gevaar voor het wilde bestand vormen.

In Bukit Lawang vertellen twee Deense toeristen met stralende ogen over een echte wilde orang-oetan die ze op een jungletocht tegenkwamen. Het vrouwtje, met een jong, kwam naar beneden. Je kon haar op de rug kloppen en als je, zoals de gids had voorgedaan, een pinda tussen de lippen nam, pakte zij die met getuite mond voorzichtig over.

"We kunnen alleen maar bidden dat er geen ziekten overgedragen wordt, het is een beangstigend risico', reageert Mike Griffiths, op het kantoor van het World Wildlife Fund in Medan. Het rehabiliatie-station ontving jarenlang steun van het WWF, dat tot januari 1993 ook de voorlichting verzorgde. "Maar tegelijk met elke toerist die een orang-oetan zoent, komt er wel buitenlands geld het land binnen - het maakt duidelijk dat er aan natuur geld verdiend kan worden.'

Een andere overweging vindt Griffiths net zo belangrijk. "Rehabilitatie is simpelweg de beste manier om met gestroopte dieren om te gaan. Je geeft ze een tweede kans. Wat moet je anders: ze ergens in een kooi stoppen? Voor zover we er zicht op hebben, is het succespercentage hoog.'

Triplexfabriek

Het wordt de mensapen op Sumatra steeds moeilijker gemaakt een behoorlijk leefgebied te vinden. Het verspreidingsgebied beperkt zich tegenwoordig vrijwel tot het Gunung Leuser Reservaat. Ondanks zijn afmetingen - bijna één miljoen hectare - is dit reservaat maar voor een betrekkelijk klein gedeelte geschikt voor de vele bedreigde diersoorten die het huisvest. Het omvat een flink deel van de Bukit-Barisan bergketen. Laaglandregenwoud beslaat nog geen zes procent van het oppervlak. En vooral van dit soort bos moeten de dieren het hebben.

Wat er aan laagland bos in het reservaat voorkomt, wordt ernstig bedreigd. Binnen het reservaat vindt ontbossing plaats. In het gebied waar een van de laatste kudden wilde olifanten leeft, staat nu een triplexfabriek. Vrijwel al het overgebleven regenwoud in de officiële bufferzone buiten het reservaat is uitgegeven als concessiegebied.

In 1991 publiceerde de Indonesische tak van een grote oliemaatschappij een fotoboek dat de natuurlijke rijkdom illustreert van het Benkung gebied in dit reservaat. Op de Great Apes Conference die aan het eind van dat jaar in Jakarta werd gehouden, gebruikte het ministerie van toerisme foto's uit hetzelfde boek als illustratie van de biologische diversiteit van Indonesië. Pijnlijk was dat voor het gebied een concessie was uitgegeven en de houtkap al in volle gang was.

"Zolang zulke gebieden niet platgebrand worden, zouden ze ooit nog kunnen herstellen', zegt Griffiths hier over. "Kap is tragisch, maar niet het einde van de wereld. Branden wèl.' 'We moeten optimistisch zijn', voegt hij er zorgelijk kijkend aan toe, "het is de enige manier. Maar er zijn veel problemen met het reservaat, op allerlei fronten. Er worden nog steeds grote hoeveelheden hardhout neergehaald. Met de toenemende bevolking rukken de plantages op. Er is een probleem met jacht en stroperij en in de rivieren wordt niet alleen met dynamiet gevist, maar ook met gif.'

En zo zijn er meer problemen. Onlangs is is het park in tweeën gedeeld door een onneembare barrière: een nieuwe weg, omgeven door landbouwgrond. De Asian Development Bank heeft plannen voor de bouw van een stuwdam in het noorden van het gebied. Hiermee zou een van de laatste nog overgebleven trekroutes van olifanten afgesneden worden. Het WWF heeft voorgesteld de dam iets meer stroomafwaarts te bouwen, zodat de route niet helemaal afgesloten wordt.

Rendabel

In één opzicht is wat in Bukit Lawang gebeurt niet zo erg - een idyllische rivier is verstoord en een natuurbeschermingsproject geconfisceerd door het toerisme, maar daarmee wordt wel tegemoet gekomen aan het moderne streven natuurbescherming rendabel te maken. Bovendien vormt het uitgedijde toeristendorp een perfecte mogelijkheid het recreatieve gebruik van Gunung Leuser te kanaliseren. De regering heeft nu vier kilometer van Bukit Lawang een cementfabriek gepland, waarvan de vervuiling een groot gebied zal aantasten. Het rehabilitatie-centrum is al bezig met verhuisplannen.

De werkwijze van het WWF laat zich bij dit alles het best omschrijven als stille diplomatie, het achter de schermen zoeken naar compromissen. Met het gegroeide nationale bewustzijn is de weerstand tegen buitenlandse bemoeienis gegroeid. Het is dus niet vreemd dat een instantie die zijn invloed wenst te houden, bij voorkeur een "low profile' houdt. Maar je kunt je de vraag stellen wanneer de grens bereikt wordt waarop de internationale opinie gemobiliseerd moet worden.

De fascinerende en aandoenlijk ogende orang oetang wordt door het WWFals troefkaart ingezet bij de werving van fondsen in het westen. Maar wat is nog de bemoeienis van het WWF bij het behoud van de soort?

Griffiths: "Er wordt nu overlegd over de oprichting van een groot grensoverschrijdend reservaat op Borneo, gezamenlijk tussen Kalimantan, Sabah en Sarawak. In hoeverre dat geschikt leefgebied voor de orangs veilig kan stellen is moeilijk te zeggen. Maar reservaten zijn geen voorwaarde voor hun behoud. Sommige houtbedrijven willen de aanhoudende kritiek op hun operaties in de toekomst misschien indammen door enkele stukken van hun concessiegebieden ongemoeid te laten, of er alleen selectief te kappen. Het is nog niet te laat, als er maar gebieden beneden de 1000 meter overblijven.'

Daarnaast streeft het WWF op Sumatra naar een sterkere bestrijding van stroperij en werkt het aan verschillende voorlichtingsprojecten. De westerse markt wordt overspoeld met koffietafel-boeken waarin wordt opgeroepen tot behoud van het woud. Maar een bewoner van Sumatra die wil weten wat er in de bosgebieden aan dieren leeft, kan daarover geen fatsoenlijk uitgave vinden.

Moskeeën

Met herstel zou Gunung Leuser weer een grandioos natuurpark kunnen worden. Maar een bezoek aan het noordelijke deel van het reservaat maakt duidelijk dat er dan veel moet gebeuren. Aan deze kant van het reservaat is het geen westerse muziek die klinkt, maar de versterkte gebedszang van moskeeën. Langs de weg door de Alasvallei is de landbouw sterk toegenomen. Tussen de aangelegde rijstvelden staan zwart gebrande stronken van voormalige woudreuzen. Langs de weg zijn nederzettingen verrezen, compleet met kerkjes en moskeeën, vrolijke schoolkinderen en veelkleurig zwerfvuil.

De Indonesische regering voert actief campagne om de bevolkingsgroei te beperken - twee kinderen per gezin moet genoeg zijn. Maar ook als het family planning-schema vanaf nu zou aanslaan, zal de bevolking van 185 miljoen mensen zich verdubbelen voordat de groei stopt.

De bevolkingspolitiek slaat op het platteland van Sumatra nauwelijks aan. Intussen komen er veel transmigranten van het overbevolkte Java bij, juist in de tot nu toe dunner bevolkte streken.

De dorpsoudste van Lumut, ten noorden van het het Gunung Leuser Reservaat, komt ook van Java. Hij wil daar nooit meer naar terug, vertelt hij: Java is onleefbaar, er zijn teveel mensen. Sumatra is beter. Met ijzeren logica stelt hij vast dat de gepropageerde family-planning niet deugt - president Suharto heeft immers zelf meer dan twee kinderen. Het dorpshoofd heeft inmiddels veertien kinderen, zijn streven is zestien.

Langoeren

Aan deze kant van het reservaat ligt het Ketembe onderzoekscentrum, oorspronkelijk in 1971 opgezet door de Nederlander Herman Rijksen. Het centrum fungeert nu als onderkomen voor Nederlandse en Indonesische biologen. Het onderzoeksgebied zelf is een van de mooiste delen van het park - laaglandbos, nog compleet met woudreuzen. De bezoeker kan er, verontrust gadegeslagen door makaken en langoeren, op een plek stuiten waar een orang-oetan vrouwtje op een brede tak liggend wat blaadjes proeft, terwijl haar dochter voor de aardigheid een bekerplant uit de boom werkt, en twee gibbons verderop elkaars vacht verzorgen.

Een van de oudgedienden in het kamp is Barita Manullang, Sumatraans ecoloog en mede-oprichter van de Green Indonesian Foundation en het tijdschrift Voice of Nature. Hij is net terug van een tocht door het reservaat, waarbij hij heeft vastgesteld dat er alweer een waardevol stuk is vernietigd, onder het oog van de parkwachters. "Het is hier de slechtste situatie die ik in twintig jaar in Azië gezien heb. Bescherming of voorlichting vindt niet plaats. De enkeling die stroperij of plundering van het bos aangeeft, loopt het risico zèlf vastgehouden te worden. Van een mentaliteits-verandering, die de westerse beschermers denken te zien, is nog niets te merken.'

Het onderzoeksgebied biedt tegenwoordig een eigenaardig contrast: breed aangelegde paden die je eerder in een Nederlands recreatie-bos zou verwachten, afgewisseld met oerwoudtracks waarop de bezoeker elke vijf minuten bloedzuigers uit zijn schoenen kan plukken. "Om goodwill bij de Wereldbank en andere geldschieters te kweken verzint de overheid af en toe maar wat,' verklaart Manullang, "men wil een degelijk ogend onderzoeksstation kunnen tonen. Van de ene op de andere dag moest dat brede pad worden aangelegd, waardoor veel bomen sneuvelden en dieren werden verjaagd.'

De oprichter van het station, Herman Rijksen, verrichtte in de jaren zeventig op dezelfde plek pionierswerk met orang-oetan onderzoek. Voorzover zijn huidige werk op het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek in Arnhem dat toelaat, is hij nog op Borneo of Sumatra te vinden. Regelmatig bestookt hij instanties met beschermings-voorstellen voor de rode mensapen, onder een steeds grotere tijdsdruk. Het WWF heeft volgens hem jarenlang geen aandacht meer voor de problemen van de orang-oetans. Na de eerste opzetten voor rehabilitatie-stations in de jaren zeventig heeft men alle aandacht voor gerichte bescherming laten varen - men is zich gaan richten op "duurzaam gebruik' van ecosystemen en integratie van natuurbeheer en ontwikkeling.

Maar volgens Rijksen werkt die benadering niet. "Het is een illusie: als mensen de natuur maar "duurzaam' gebruiken zou er niets aan de hand zijn. Maar het hele probleem dat de natuurbescherming tracht op te lossen komt voort uit ontwikkeling. Het sweeping statement is tegenwoordig dat welvaart tot natuurbescherming leidt. Ik heb het vele jaren aangekeken, en het gaat niet op. Doordat groeiende aantallen mensen, uitgerust met te sterke exploitatie middelen, naar steeds hogere welvaart streven.'

Gedachtenkronkel

Die "ideologische gedachtenkronkel' heeft ook de orang-oetan parten gespeeld. Zo kwam aan het eind van de jaren tachtig, op aandringen van de internationale organisaties, een groot deel van de tot dan toe beschermde Alas vallei in Gunung Leuser in handen van het plaatselijke bestuur. Het gebied moest als bufferzone "ontwikkeld' worden. Binnen twee maanden was het bos grotendeels gekapt of platgebrand om het gebied voor landbouw geschikt te maken. Sinds Rijksen er werkte is de bevolking verviervoudigd.

Daarnaast hebben beschermingsorganisaties zich te weinig geroerd tegen de ontbossing. Bijvoorbeeld tegen de enorme kapconcessies die op Borneo zijn uitgegeven. "In 1986 was er overeenstemming over de indeling van bepaalde bosgebieden in de categorie "beschermd". Uiteindelijk is toch haast alles op de schop gegaan, met subsidie van de Wereldbank. Honderdduizenden hectaren zijn platgeslagen. De natuurbescherming heeft hier grandioos gefaald.'

Alle soorten mensapen zijn, ondanks hun onverminderde populariteit bij de media, de laatste tientallen jaren in het wild gedecimeerd. Als de huidige plannen voor bescherming van gebieden waar orang-oetans voorkomen al zouden slagen, is het al mooi. Maar de plannen behelzen een minderheid van de nu nog levende dieren, zo'n veertig procent. De rest van de dieren kan bij voorbaat worden afgeschreven.

Herman Rijksen ziet nog wel lichtpuntjes. Sinds de VN-conferentie in Rio de Janeiro zoekt de Indonesische overheid internationale steun voor natuurbehoud. Daarnaast hebben enkele internationale natuurbeschermers van het eerste uur, waaronder hijzelf, vorige maand een nieuwe stichting opgezet - met toestemming van Prins Bernhard, beschermheer van het WWF. De Gouden Ark Stichting streeft naar specifieke bescherming van bedreigde soorten. Deze neemt het oude uitgangspunt van soortbescherming weer op en gaat daarmee in tegen de nieuwe benadering waarin de aandacht uitsluitend wordt gericht op duurzaam gebruik van ecosystemen. Juist voor dieren als de orang-oetan lijkt de aanpak van gerichte bescherming de enige oplossing.