Jij zit daar maar in je luie stoel naar de tv te kijken

Koninginnerit? Mijn reet, verdomme. Propagandapraat, ter meerdere eer en glorie van de generaals in de Ronde. Die geconfituurde fatjes, die wij eerst in een draagstoel naar de voet van de bergen hebben mogen transporteren. Zit u lekker, meneer? Blieft u nog een watertje, meneer? Ja, in de finale. Als de tv-camera's beginnen te snorren. Dan willen ze nog wel even uit het zadel komen. Met hun gepommadeerde Jan Klaassen-koppen. Die helden van het volk. Helden van niks.

Teringrit. Typhusrit. Dat zijn tenminste namen voor een etappe als een ziekte. Staan je spieren nog stijf van de bergen van gisteren, drijven ze je over de hoogste passen van de Alpen. Daar waar niks kan groeien. Waar niemand wil wonen. Alleen de gemzen. Maar wij zijn toch geen gemzen. Wij zijn maar wormen. En ze willen ons plattrappen, die fijne heren van de Ronde. Een lange sliert van slijm en speeksel. Dat moet er van ons overblijven. Wat een spektakel. Wat een geronk in de pers.

Honderdtachtig kilometer door de Alpen. Over een kwartet van die kanjers. Weet je wat dat betekent? Laat me niet lachen. Geen benul heb je. Jij zit daar maar in je luie stoel naar de tv te kijken. Lekker weertje, hé? Ach vent, pleur op. Jij weet niet hoe gemeen die zon kan branden in de dalen. Je weet niet hoe de kou knaagt op de cols. Dat daarboven sneeuw ligt in de bermen, dat de wind je bijna van de fiets blaast, dat had je niet gedacht, hé. Wijsneus. Wat weet je eigenlijk wel?

Zal ik de stront eens uit je ogen wrijven? Moet ik het voor je uittekenen wat het betekent: zo'n koninginnerit. Dat is vier keer Golgotha beklimmen. Nee, geen bultjes. Bergen. Dragonders. Kil en ongenaakbaar. Op de toppen zijn zelfs de grootste rotsen vergruizeld tot morenen. Alles verpletteren die bergen. Alles en iedereen.

Zesenzeventig kilometer klimmen. ZESENZEVENTIG KILOMETER KLIMMEN. En 2230 bochten. En 17 rotondes. Geloof je me niet? Tel ze maar na. Plus een verkeersdrempel. Bij St. Marcellin. Een verkeersdrempel. Midden in de Alpen. Wat een hoogmoed. Als je alles hebt gehad.

Moeten we het soms nog hebben over de weidse vergezichten? Over de watervallen? De bergmeertjes? De Alpenweiden? Halve zool. Wie heeft daar nou oog voor. Alsof we niks beters hebben te doen. Wij zijn al blij als we het wiel van een voorganger zien. Als we niet met 100 kilometer per uur in de afgrond duiken. Boven komen. Beneden komen. Aankomen. Meer verlangen wij niet. Dat we nog leven aan het eind van de dag.

Eerst joegen ze ons de Col de l'Isoard op: 2360 meter, 5,9 procent. De slagers. Waag het niet ze te vergeven, Heer. Want ze weten precies wat ze doen. We moesten zo nodig langs de versteende koppen van Bobet en Coppi, die op de top staan. Oude glorie. Wielerhistorie. Parasiteren op nostalgie.

Onderweg het bonken van de slapen. Het suisen van de oren. Het tsjirpen van de krekels. En het woeste geruis van de Cerveyrette. Onheilspellend. Kakafonie voor hen die moeten sterven. Afscheidsconcert.

Je zou er van gaan bazelen, verdomme. Wijvenpraat. Dat komt er nou van. Terwijl we nog niet eens halverwege waren. Dus verder. Naar de Col de Vars: 2109 meter, 5,7 procent. Kwaadaardige wrat met zijn Refuge Napoleon. Voor ons geen toevluchtsoord. Geen schaduw te bekennen. Kun je denken. Wij zijn toch nergens veilig.

Al helemaal niet op de Col de la Bonette: 2802 meter, 6,9 procent. Dat was de zwaarste, de verschrikkelijkste. Gruwelcol. En hoe je ook tiert en vloekt, in stilte, je hebt geen adem voor de schreeuw van woede die in je borst bruist, hij wijkt niet, hij buigt niet. Hij blijft volledig onverschillig. Dat is misschien nog het ergste: alsof je niet telt.

Aan de voet hadden ze nog geprobeerd om de weg op te knappen. Dus niet alleen overhangende rotsen maar ook nog opspattende kiezelstenen. Jullie zijn bedankt. Verderop hadden de werklui met hun machines blijkbaar niet meer kunnen komen. Te smal zeker. Te veel kuilen. Te gevaarlijk. Zelfs toeristen mijden deze route.

Het leek wel of er geen eind kwam aan die weg. Hij bleef maar kringelen en kronkelen. Als een boa constructor. Serpent. Hij drukte je plat. En toen hij eindelijk had kunnen loslaten, deed hij het nog niet. Omdat die ijdele Fransozen, die patjepeeërs, hadden bedacht dat het zo leuk was nog een lusje rond de top te leggen. Vanwege de grote hoogte. Door dat absurd kale landschap. Beulen. Het lusje van de galg.

De laatste beklimming was nog de lichtste. Van de Montée d'Isola: 2000 meter, 6,9 procent. Je kon toch niet meer denken. De pijn voorbij. Publiek had je omhoog geschreeuwd. Hoera. Hoezee. Op naar de streep.

Streep op een parkeerterrein, verdomme. Een godvergeten parkeerterrein. Bij een godvergeten uit de grond gestampt ski-pretpark. Hebben ze dan helemaal geen eer? Kunnen ze dan maar alles met ons doen? Lekkere Koninginnerit.