Emigratie

De vakantieperiode is weer begonnen en veel mensen staan klaar voor een vertrek naar het buitenland. Een vakantieverblijf in het buitenland is naar zijn aard van korte duur, zodat hieraan geen consequenties zijn verbonden voor de pensioenrechten. Bij emigratie, een blijvende vestiging in het buitenland, kunnen er daarentegen wel pensioengevolgen optreden.

In een aantal gevallen emigreren werknemers of gepensioneerden juist met het oog op de fiscale gevolgen voor de pensioenen en daarbij met name voor de belastingheffing over de afkoopsom van pensioen. Nederland kent de regel van onbelaste pensioenpremies en belaste pensioenuitkeringen en pensioenafkoopsommen. Afkoop van pensioen leidt dus tot belastingheffing in Nederland. Nederlandse belastingheffing is echter onmogelijk indien op grond van bepalingen in internationale belastingverdragen het recht tot belastingheffing is toegewezen aan de woonstaat, waarnaar betrokkene is geëmigreerd. In veel verdragen is dit het geval, onder andere in relatie met België en de Nederlandse Antillen. In België vindt belastingheffing over de afkoopsom plaats tegen het lage tarief van 16,5% bij afkoop op de normale pensioendatum of de vijf jaar daaraan voorafgaand. Bij emigratie naar de Nederlandse Antillen kan gebruik worden gemaakt van de pensionada-regeling, die onder bepaalde voorwaarden een belastingtarief van 5% biedt. Het is daarom geen wonder dat België en de Nederlandse Antillen populaire emigratielanden zijn voor gepensioneerden.

De Nederlandse regering ziet dit met lede ogen aan. In geval van afkoop en belastingheffing in het buitenland ziet zij zich voor de onmogelijkheid gesteld om de fiscale claim te effectueren, die op de pensioenaanspraken rust als gevolg van de eerdere belastingvrijstelling van de premies. Hiernaast signaleert de regering de mogelijkheid dat de om fiscale motieven geëmigreerde persoon, later terugkeert naar Nederland en dan wellicht gebruik gaat maken van inkomensafhankelijke collectieve voorzieningen, als bejaardenoorden. Indien de afkoopsom is opgemaakt, loopt Nederland de eigen bijdrage voor de collectieve voorzieningen mis. Er is daarom een maatregel voorgesteld om hieraan tegemoet te komen. Een in mei van dit jaar bij de Tweede Kamer ingediend wetsvoorstel zal binnenkort in de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW) de mogelijkheden tot afkoop van pensioenrechten bij emigratie beperken. Op grond van de PSW is een pensioenfonds of een verzekeringsmaatschappij momenteel bevoegd pensioen af te kopen indien de betrokkene is geëmigreerd of aannemelijk maakt binnenkort te emigreren en overigens met de pensioenbelangen van de echtgenoot/-ote voldoende rekening is gehouden. Deze afkoopmogelijkheid is in 1952 in de wet vastgelegd en sloot aan bij het toen bestaande emigratiebeleid van de overheid. Pensioenfondsen en verzekeraars kunnen wel zelf bepalen of zij meewerken aan afkoop bij emigratie en ook kunnen zij zelf invulling geven aan het begrip emigratie. Een curieus geval wat dit betreft werd in 1989 aan de rechtbank Maastricht voorgelegd. Een werknemer van een in Maastricht gevestigd bedrijf ging in Lanaken in België wonen en bleef vervolgens nog 25 jaar als grensarbeider in dienst van dezelfde werkgever te Maastricht. Toen hij bij pensionering om afkoop verzocht weigerde het pensioenfonds dit, met het argument dat de afkoopmogelijkheid voor deze situatie niet was geschreven. Hoewel de rechtbank het plaatsje Lanaken als buitenwijk van Maastricht kwalificeerde, oordeelde zij toch dat de werknemer zich blijvend in het buitenland had gevestigd en derhalve was geëmigreerd. Het pensioenfonds kon afkoop niet weigeren.

Krachtens de voorgestelde wetswijziging zal afkoop van pensioenen waarvoor de PSW geldt, straks niet meer zijn toegestaan, tenzij er sprake is van de overdracht van de afkoopsom naar een buitenlandse verzekeringsmaatschappij of andere instelling waar opnieuw pensioenrechten worden verkregen. De werknemer of gepensioneerde krijgt dan niet de vrije beschikking over de afkoopsom. Vooralsnog blijft verder gehandhaafd de nu al bestaande mogelijkheid tot afkoop van zogenaamde C-polissen, waarbij de werknemer, daartoe door zijn werkgever in staat gesteld, zelf een pensioenverzekeringsovereenkomst heeft gesloten. Eveneens blijft de mogelijkheid van afkoop van pensioenen door werknemers/directeuren-groot- aandeelhouders in de PSW bestaan. Verder richt de voorgestelde wetswijziging zich niet op pensioenen van beroepsbeoefenaren. Voor ambtenarenpensioenen kent de ABP-wet nu al een afkoopverbod, tenzij men niet meer dan zeven voor pensioen tellende dienstjaren heeft. Ook de AOW-pensioenen zijn niet afkoopbaar.

De beperking van de afkoopmogelijkheid bij emigratie zal tot meer export van uitkeringen leiden. In verband met de kosten die aan het internationale betalingsverkeer zijn verbonden, kan dit voor de pensioenuitvoerders bezwaren opleveren. Het is niet zeker of de kosten altijd op de emigrant verhaald kunnen worden. Tevens zal het voor de pensioenuitvoerders lastig zijn om in het buitenland verificatie te krijgen van het in leven zijn van de pensioengerechtigde. Om hieraan tegemoet te komen is in het wetsvoorstel tot wijziging van de PSW tevens vastgelegd dat in geval van emigratie pensioenen die bij ingang niet meer dan ƒ 784,- per jaar bedragen kunnen worden afgekocht. Hoewel dit bedrag zal worden gendexeerd, kan in het licht van de toenemende betekenis van de aanvullende pensioenen betwijfeld worden of deze afkoopmogelijkheid van kleine pensioenen voldoende tegemoet komt aan de bezwaren van pensioenbetaling in het buitenland. Bij slechts een afkoopmogelijkheid voor pensioenen van niet meer dan ƒ 784,- lijken er voor de gepensioneerde in ieder geval geen pensioenredenen meer om langer dan tijdelijk in het buitenland te verblijven.