Dichtend door het landschap; Poezieroute in Callantsoog

Poëzieroute 1993, Callantsoog en Grote Keeten. VVV Callantsoog, Jewelweg 8. Inl 02248-1941. Vanaf NS-station Schagen vertrekt om 9 minuten voor elk heel uur bus 152 naar Callantsoog, de bus stopt voor een fietsverhuurbedrijf. De route is ongeveer 8 kilometer lang.

De "poëzieroute' betekent dat er op allerlei plaatsen in Callantsoog en omgeving een paaltje staat met een gedicht erop. Bijvoorbeeld: “Weerom hou ik van Westfriesland/ met z'n regen en z'n wind/ weer het voorjaar veuls te laat/ en weer de herrest te vroeg begint” van de ongetwijfeld Westfriese dichter Siem de Haan die zijn gedichten in eigen beheer laat verschijnen. In weiland en duin zijn ook heel bekende regels aan te treffen, wie met meer dan één routevolger is kan zelfs een aardige quiz doen. Wie dichtte: "Denkend aan Holland/ zie ik brede rivieren', "De Zee, de Zee klotst voort in eindeloze deining', "Graauw is uw hemel en stormig uw strand,/ Naakt zijn uw duinen en effen uw velden/ U schiep natuur met een stiefmoedershand/ Toch heb ik innig u lief, o mijn Land!', of "Mijn hart wou nergens tieren'?

Het thema van de route is duidelijk: het Hollandse landschap, het Nederlandse gevoel - ook als dat een rotgevoel is (De Genestets "Boutade' tegen het "land van mest en mist' die eindigt met de komische regel "gij - niet op mijn verzoek - ontwoekerd aan de zee').

Bij de VVV is voor vijf gulden een boekje te koop waarin de gedichten staan, en een plattegrondje met de route, waarop met nummertjes staat aangegeven waar een gedicht te verwachten is. Routevolgers moeten het serieus aanpakken, dus beginnen wij netjes met Marsmans "Herinnering aan Holland' dat naast het VVV-kantoor staat en dan door naar gedicht twee, het al eerder genoemde vers van Siem de Haan. Maar natuurlijk kan er makkelijk iets mis gaan, waardoor ineens een gedicht van Maurits Mok (nummer 21) opdoemt in een heerlijk duingebied - de bocht naar het dorp gemist. Wie eenmaal een fout heeft gemaakt, kan net zo goed eerst het Grote Keten-gedeelte doen, gedicht nummer 21 tot 30. Steeds afstappen bij elk wit bordje en heel anders dan thuis genieten van Ed Leeflangs "De hazen' of van Ida Gerhardts "Een liedje van het water'.

Soms blijkt een aangekondigd gedicht nergens te vinden, dan trappen we teleurgesteld verder, al maken spiegelende slootjes, wuivend graan, geurend helmgras en puntige stolpboerderijen veel goed. In de weilanden lopen scholeksters, een puttertje stuitert voor ons uit over het fietspad, de zon schijnt, de wind waait en we denken met Nijhoff: “'t Eenvoudig leven Gods is diep en klaar:/ Een man in blauwen kiel en een vrouw in een/ Geruiten rok en witten boezelaar.”

Bij strandslag Grote Keeten, direct na Bloems "Het huisje in de duinen' mag de poëziegenieter spijbelen en op het terras van "t Klavertje Vier een uitbundig met boter besmeerd broodje eten. Met gesloten ogen, het gezicht in de zon, peinzen we nog wat na over Bloems laatste strofe:

Welke is de mensen ingeschapen drang,

Die geen vervulling duldt van het begeerde,

Maar altijd van hun zwakke harten weerde

Waarnaar zij joegen, heel hun leven lang?

Tot zover gaat alles als in een ouderwets blijmoedig schoolopstel, maar terug in Callantsoog voor het eerste deel van de route wordt het veel ingewikkelder. We zien gedichten die niet in het boekje staan en missen verschillende die er wel in staan. Alle straten naar alle kanten blijken "Zeeweg' te heten, de gedichten staan zo eigenaardig in tuintjes dat het lijkt of je uitgebreid en brutaal bij de mensen naar binnen wilt loeren. Als we voor de vierde keer de haringkar passeren, besluiten we de resterende gedichten maar op te geven. Het idee is wel duidelijk, genoten hebben we al volop en de bus terug naar Schagen vertrekt over tien minuten.