De voorlichter

"Zo nu en dan denkt een onderzoeker dat hij zelf wel een persbericht kan schrijven, maar dat lukt zelden. Het is al gauw veel te ingewikkeld.' Huub Eggen (44) is voorlichter bij FOM, de Stichting Fundamenteel Onderzoek der Materie. Behalve de voorlichting voor de pers zit ook de interne voorlichting in zijn portefeuille: jaarverslagen en een intern informatieblad.

Meestal is Eggen te vinden op het sober ingerichte FOM-kantoor in Utrecht. Af en toe, te weinig naar zijn zin, is hij op bezoek bij een van de FOM-instituten of bij een van de vele universitaire onderzoeksgroepen van FOM.

Als een onderzoeker iets interessants heeft gevonden, brengt Eggen dat met een persbericht onder de aandacht van de media. "Omdat veel mensen genteresseerd zijn in wetenschap, en daar alles over willen weten. En ook natuurlijk omdat het goed is als we de media bereiken. Beleidsmakers en politici lezen dat dan weer en ze krijgen het idee dat de subsidies goed besteed worden.'

Het maken van een goed persbericht is geen sinecure. Eggen: "Ik probeer altijd eerst iets te lezen over het onderwerp, en dan ga ik een middag met die onderzoekers praten. Vervolgens schrijf ik een of twee A-viertjes en daar stoeien we dan over.'

Over gebrek aan medewerking heeft de voorlichter niet te klagen. "De meeste onderzoekers willen graag in de krant. Als John Maddox in Nature hun naam noemt zijn ze dagen in de wolken, maar daarna komt een stukje in een wetenschapsbijlage als het mooiste dat er is.'

De meeste nieuwtjes worden opgespaard voor Newton News, de nieuwsbrief van FOM. Als het onderzoek heel bijzonder is, gaat het persbericht meteen in 300-voud naar de redacties van dag- en weekbladen en naar een groot aantal free-lance wetenschapsjournalisten. En naar het ANP, dat de meeste berichten weer op het net zet.

De reacties laten zich niet altijd voorspellen. Eggen: "Om de een of andere reden fascineert de quantummechanica nogal wat mensen - terwijl het zo moeilijk is om het uit te leggen. Neem bijvoorbeeld iets wat we in 1989 hadden, het wegschieten van een elektron uit een atoom. Theoretisch kan het, dat was al langer bekend, maar het lastige is dat je met een quantummechanisch effect te maken krijgt: het elektron gedraagt zich tegelijk als een deeltje en een golf. Toen een paar onderzoekers op AMOLF, ons instituut in Amsterdam, er in slaagden met een laser een elektron weg te schieten - en ze waren de eersten op de wereld - heb ik daar een persbericht van gemaakt. Tot mijn stomme verbazing hebben vrijwel alle dagbladen het overgenomen. En niet alleen in de wetenschapsbijlagen, maar ook op de binnenlandpagina's!'

Eggen heeft zelf een jaar natuurkunde gestudeerd. "Ik wilde sterrenkundige worden, daar had ik allerlei romantische ideeën over. Toen bleek dat het vooral op wiskunde neerkwam, ben ik overgestapt op fysische geografie.' Na zijn afstuderen kwam hij terecht bij het tijdschrift Mens en Wetenschap. Verder was hij free-lance wetenschapsjournalist voor onder andere de Volkskrant, schreef stukken voor encyclopedieën en vertaalde boeken. "Totdat mijn buurman me in 1985 een advertentie van FOM liet zien, ze zochten een voorlichter.' Eggen solliciteerde en werd aangenomen.

"In je contacten met onderzoekers is een academische opleiding wel belangrijk. Je wordt als gesprekspartner serieuzer genomen. Ik weet niet veel van natuurkunde, maar ik vind dat geen nadeel. Onderzoekers gaan vaak zo in hun eigen deelgebied op, ze zijn zo bezig aan het front, dat ze de elementaire dingen overslaan. Een een leek heeft dat begin juist nodig om genteresseerd te raken en daar moet je dus naar vragen.' Eggen kijkt soms met enige jaloezie naar de artikelen van een natuurkundige als Frans Saris. "Als je goed kunt schrijven én je begrijpt echt waar het over gaat heb je natuurlijk de ideale combinatie. Dan kun je alles eruit halen wat er in zit.'

Als een journalist een onderzoeker vraagt voor een interview geeft Eggen desgewenst een spoedcursus ""omgang met de media''. "Ik hamer er altijd op dat ze met de interviewer afspreken dat ze de tekst vóó r publikatie te zien krijgen - dat komt de tekst alleen maar ten goede. Ten tweede druk ik de onderzoekers op het hart dat journalisten altijd haast hebben. Als ze hun artikel hebben gefaxt, moeten ze na een paar uur al een reactie krijgen, niet na een paar dagen. En verder moeten de onderzoekers zich natuurlijk duidelijk uitdrukken, niet teveel relativeren, niet teveel slagen om de arm. Daar houden journalisten niet van.'

Dat alles geldt nog in veel sterkere mate voor de televisie, weet Eggen uit ondervinding. "Het NOS-journaal heeft merkwaardig genoeg geen wetenschapsredacteur in dienst. Een onderzoeker die met een verslaggever van het journaal praat, moet er zich dus op voorbereiden dat hij iemand tegenover zich krijgt die niets van het onderwerp afweet.' Het kan gemakkelijk mis gaan. Sommige wetenschappers raken gebiologeerd door de camera en vergeten alles wat ze van te voren hadden bedacht. Of de reporter wijkt opeens af van het vragenlijstje dat in een voorgesprek was opgesteld. Eggen: "Laat je daar niet door verrassen, zeg ik steeds. Kap het gesprek af en laat ze maar opnieuw beginnen.' Met afgrijzen denkt hij terug aan een journaal-item van een paar jaar geleden. "Dat was in '87, de tijd van de supergeleiding bij hoge temperatuur. Iedereen was er geweldig opgewonden over. We hebben toen bij Philips een nationaal onderzoeksplan gepresenteerd. Voor de media was er een persconferentie, waarin naast alle enthousiasme ook sceptische geluiden werden geventileerd. De praktische toepassingen lagen immers nog heel ver weg. Na afloop interviewde Erik Boshuizen van het journaal de directeur van FOM, Hans Chang. Het was een gesprek van een minuut of zes, en aan het einde vroeg Boshuizen Chang naar toepassingen. Chang herhaalde dat die voorlopig nog niet in zicht waren, maar als verre toekomstmuziek zou je eventueel, heel misschien, kunnen denken aan zweeftreinen en verliesvrij transport van elektriciteit. En wat deed het journaal? Ze zonden van dat hele gesprek alleen die passage met die zweeftreinen uit.'