Chiappucci vindt weinig baat bij Don Pedro's zegen

SERRE CHEVALIER, 15 JULI. De avond voor zijn lijdensweg had Claudio Chiappucci zich nog zo op zijn gemak gevoeld. De oude Don Pedro, getooid in zijn lange zwarte pij met wel vijftig knoopjes, was vanuit zijn Italiaanse woonplaats Uboldo naar het rennershotel in Villard de Lans gekomen. De altijd vriendelijke rondborstige priester had een doos witte kaarsen meegebracht, een kelk en een kazuifel, zodat hij een heilige mis kon opdragen in de tot kapel omgetoverde kamer naast het restaurant. Alle Tourrijders van de ploeg Carrera hadden geknield gezeten en de communie ontvangen. En Don Pedro had hen gezegend. Kon het gisteren nog verkeerd aflopen in de eerste Alpenetappe van de Ronde van Frankrijk?

Eerder die dinsdag had Chiappucci zich nog strijdvaardige woorden laten ontvallen. Aanvallen zou hij. Want in de tijdrit van maandag had hij meer dan vijf minuten verloren op de nieuwe gele truidrager Miguel Indurain. En dat waren er in zijn ogen twee te veel. Het was buigen of barsten. Want vijf keer al had hij met Indurain in een Tour geduelleerd, telkens had hij het onderspit gedolven. Dat moest maar eens afgelopen zijn. De gele trui of niets, bloemen of kapot. Tweemaal was hij al als tweede geëindigd, hij dreigde een eeuwige tweede te worden. Zijn ploegmakker Stephen Roche had hem nog gewaarschuwd. “Ben voorzichtig morgen, Claudio”, adviseerde de ervaren Ier, “je weet het toch: na een rustdag ben jij nooit in optima forma. Wacht tot donderdag, als je wil attaqueren.” “Ach wat, ik ben beresterk”, antwoordde Chiappucci.

Hoogmoed komt voor de val. Il Diavolo's mooie droom werd gisteren een nachtmerrie. In de eerste Alpenrit, met de Glandon, de Télégraphe en de Galibier, ontdekte Chiappucci vlot dat hij "pap in de benen' had. Als zovelen had hij moeite om te schakelen van de grote verzet - de renners hanteerden die op de vlakke wegen - naar het kleine verzet. Op de lastige Télégraphe stelde Indurain met eigen ogen vast dat zijn concurrent in de problemen zat. Toen de Galibier, een verschrikkelijke reus, opdoemde was Chiappucci al lang uit het gezichtsveld van Indurain en de overige leiders verdwenen. Kreunend, steunend en zwetend stampte de Italiaan in de achterhoede op de pedalen. De finish bereikte hij als negenentwintigste, bijna negen minuten na ritwinnaar Tony Rominger, Alvaro Mejia en Indurain.

Weg kansen op de zege. Chiappucci hing na afloop meer dood dan levend in de armen van een verzorger. Hij kon nauwelijks praten. “Een off-day”, bracht hij nog uit, terwijl hij werd getroost door een Italiaans wielerlegioen, dat de nabij Serre Chevalier gelegen grens was overgestoken. De anders zo luidruchtige tifosi waren er stil van.

Ook Gianni Bugno, een ander Italiaans idool, liet het afweten. De zwijgzame kopman van Gatorade, die in de Italiaanse Giro faalde, was tot dusverre onverwacht sterk in de Tour. Zijn proloog was uitstekend, hij handhaafde zich goed op het vlakke en in de individuele tijdrit bij het meer van Madine verraste hij met een tweede plaats. Op weg naar Serre Chevalier meldde hij zijn meesterknecht Laurent Fignon echter al bij de beklimming van de Télégraphe dat hij het somber inzag. De kracht in zijn benen voelde hij wegvloeien.

Op de Galibier probeerde de wereldkampioen desondanks terug te vechten. Als aan een elastiekje hield hij lange tijd contact met een groep die ploeterend trachtte de schade op Indurain & co te beperken. Tenslotte moest hij dat gezelschap laten gaan. Hij had het aan de steun van Fignon te danken dat zijn verlies niet verder opliep dan 7.40. Eerst sleepte de Fransman Bugno over de 2.645 meter hoge top van de supercol en vervolgens zette hij hem in de lange afdaling naar de eindstreep uit de wind. Maar in de de strijd om de hoofdprijzen mag ook de naam Bugno worden doorgestreept: vanochtend bij de start van de tweede Alpenrit had hij een achterstand van ruim tien minuten.

Fignon kon het niet geloven. “Bugno”, vertelde hij in zijn hotel te Briancon, “dat is een supertalent. Die kan zó ontzettend veel. Het komt er lang niet uit. Dat ligt niet aan zijn lichaam, maar het is een mentale kwestie. Gianni gaat niet uit van zijn eigen kracht, hij kijkt altijd naar de anderen. Die zijn toch beter, zie je hem dan denken. Het is een jongen zonder zelfvertrouwen, sterker nog, hij heeft een minderwaardigheidscomplex. Had hij maar de helft van de bravoure van Chiappucci, dan zou je eens wat beleven. Dan was Indurain nog niet van hem af geweest.”