Nieuw debat over oud onderwerp

NEW YORK - Al meer dan een maand nu wordt in de New York Review of Books een internationale discussie op hoog niveau gevoerd, ook weer in het zojuist verschenen nummer. Nadat Brian Urquhart, voormalig plaatsvervangend secretaris-generaal van de Verenigde Naties op 10 juni in een stevig onderbouwd artikel het voorstel tot oprichting van een permanente interventiemacht had gedaan, stroomden de brieven binnen. Ministers, oud-ambassadeurs, experts op menig gebied hebben in even weloverwogen redeneringen Urquhart hun steun betuigd, hun reserves geformuleerd of zijn denkbeeld verworpen zonder overigens de behoefte aan meer dan wat de VN nu in het veld kan brengen, te ontkennen.

Aan het denkbeeld van Urquhart ligt een overtuiging ten grondslag die door buitengewoon veel meer mensen wordt gedeeld dan degenen die hem in de Review op een of andere manier hun bijval geven (en dat doen ze bijna allemaal); de overtuiging namelijk "dat het zo niet langer kan'. Of het in deze vorm kan worden verwezenlijkt is misschien van minder belang dan dat aan het debat wordt deelgenomen door een aantal mensen die als verantwoordelijk minister, functionaris van de VN, militair of ambassadeur direkte ervaring hebben gehad met de vraagstukken van de interventie.

Als het over een conflict van het kaliber-Somalië of -Bosnië ging waren er tot dusver over het algemeen twee partijen met twee standpunten die niet noodzakelijk altijd door dezelfde partij werden verdedigd. Er was de publieke opinie die zich vormde door het beeld dat de media gaven en waarvan zich een zekere graad van verontwaardiging meester maakte die weer leidde tot de behoefte om "iets te doen'. Aan de andere kant stonden de regeringen en de politieke leiders die deze behoefte misschien wel deelden maar de praktische bezwaren van dit "iets doen' zagen, en geen wissel wilden trekken op de duurzaamheid en het gehalte van de verontwaardiging. Zoals de geschiedenis van de burgeroorlog om Bosnië heeft geleerd, kan er dan een stil compromis tussen de publieke opinie, de politici en de regeerders ontstaan waarbij grote verontwaardiging gepaard gaat met niets doen. Daarbij worden argumenten gebruikt die in de Joegoslavische discussie ettelijke malen zijn gehanteerd en die men ook weer in de Review terugvindt.

Maar het nieuwe in dit debat is dat het gevoerd wordt, zoals gezegd, door mensen die in de praktijk van dergelijke problemen verantwoordelijkheid hebben gedragen en dat die ernstig zoeken naar een oplossing waardoor aan het compromis der vrijblijvende verontwaardiging, eventueel verdund met humanitaire hulp, kan worden ontsnapt. Op die manier is deze gedachtenwisseling een nieuwe schakel in de discussie. Er ontstaat misschien een begin van een mogelijkheid om aan dit immobilisme van de verontwaardiging te ontkomen.

De kern van de zaak is dat het hier gaat om de toekomst van de Verenigde Naties. Als er in deze periode na de Koude Oorlog op enige schaal wordt gevochten gebeurt dat tussen nationale staten die daardoor geen wereldconflict veroorzaken, of gaat het om burgeroorlogen in gebieden waar de staat het gezag heeft verloren. Zoals Anthony Parsons, Brits oud-ambassadeur bij de VN schrijft, kan het in het eerste geval tot interventie komen als er sprake is van regelrechte agressie, als daarbij de strategische belangen van een grote mogendheid worden bedreigd, als er voldoende geld is en als er een overtuigend vooruitzicht op een snelle overwinning zonder veel schade aan eigen kant bestaat. De Golfoorlog heeft de nieuwe toon gezet.

In het andere geval kan het tot inmenging komen als de druk van het publiek en de media overstelpend is en het risico op veel gesneuvelden te verwaarlozen. In Bosnië is alleen aan de eerste voorwaarde voldaan en dus is er niet gentervenieerd en dit gebeurt ook niet meer. In Somalië heeft men zich in de tweede voorwaarde vergist en daarom zal het interessant zijn, te zien hoe de deelnemers aan de expeditionaire macht zich hieruit redden. Een triomf van de VN is het in ieder geval niet; hoogstens zou er nog een Amerikaanse triomf uit kunnen groeien maar het verlangen van de regering in Washington is gering.

Parsons komt tot de slotsom dat, als de VN geen militaire middelen en geen methode van overleg vinden om zich in de burgeroorlogen en andere massale moordpartijen te mengen, ze zich moeten beperken tot diplomatie, handhaving van de vrede zonder militaire dreiging en verder alleen met economische maatregelen. “God helpe de Koerden in Irak en de volken van Cambodja en Mozambique als mijn analyse juist is”. God helpe in dat geval alle minderheden. Als die, waartoe de praktijk van nu de inleiding vormt, vogelvrij worden, rijp voor cleansing of gewone massamoord op gezag van iedere dictator is dat het einde van de VN naar de letter en de geest van het Handvest.

Zoals Parsons met de werkelijkheidszin en de twijfel van een beroepsdiplomaat een geclausuleerde opening naar een nieuwe rol van de VN schetst, zo wordt die, op een andere manier, met evenveel realisme en begrijpelijke argumenten door de Australische minister van buitenlandse zaken, Gareth Evans, dichtgemetseld. “Het wezenlijke probleem is nog niet aangesneden”, schrijft hij. “Eerst moeten we het eens worden over een definitie van omstandigheden waaronder de strijdkrachten van de VN het recht zouden hebben om, op welke kleine schaal dan ook, zich in het gevecht te begeven. Overwegend is de behoefte aan een beknopte en bindende analyse van de rol die de VN ten behoeve van de veiligheid in de wereld na de Koude Oorlog zal zijn toebedeeld: waar en wanneer moet worden ingegrepen, in welke mate en voor hoe lang en wie voor wat zou moeten betalen”, enzovoort. Onder leiding van Evans komen we dan vanzelf tot de vraag of de beschieting van Sarajevo nog binnen de competenties zou liggen of misschien tien doden erbuiten.

Voor Bosnië komt deze discussie in de New York Review te laat. Maar misschien is er een begin gemaakt waardoor de ethnische zuivering na de volgende, op een plaats die we nog niet kennen, kan worden verhinderd voor er Bosnische toestanden ontstaan.