Laatdunkendheid, onverschilligheid en minachting voor de miniculturen

Twee jaar geleden is de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) begonnen met een "prioriteitsprogramma' onder de titel "De Nederlandse cultuur in Europese contekst'. Als "ijkpunten' zijn de jaartallen 1650, 1800, 1900 en 1950 gekozen. Evenals als Maarten Mourik vrees ik dat bij het bereiken van het laatste ijkpunt de culturele identiteit van ons land zich zodanig heeft ontwikkeld, dat de diepgaande wijzigingen in de jongste halve eeuw niet meer aan bod komen (Vgl. "Europese Culturele Veelvormigheid', Callantsoog, 1992). Er zijn verscheidene studies over ons land verricht, die vooral de individualisering en secularisering tot onderwerp hebben en zich beperken tot de jaren zeventig en tachtig. De onderzoekers, die bijna steeds uitsluitend gebruik maken van de methodiek van opinie-onderzoek willen door zogenaamde "longitudinale' research de tijd bijhouden en vragen soms uitdrukkelijk het geduld te blijven opbrengen “om de ontwikkelingen in de toekomst af te wachten”. Zo is het nadeel van het NWO-onderzoek, dat de recente ontwikkelingen worden verwaarloosd en schiet het actueel opinie-onderzoek tekort door de diepergaande historische ontwikkelingen slechts oppervlakkig of soms in het geheel niet te behandelen.

Soortgelijke studies zijn verricht op Europees en internationaal niveau. Daarin komen de historische bronnen, die bijvoorbeeld ten grondslag liggen aan de Europese beschavingsgeschiedenis, helemaal niet aan de orde. Bovendien beperkt men de steekproeven tot de staatsgrenzen en komen de soms onderdrukte culturele minderheden helemaal niet aan bod. Met enig publicitair geweld werden in mei van dit jaar in Chicago de voorlopige resultaten gepubliceerd van een onderzoek van het "International Social Survey Program' (ISSP), onder leiding van de Amerikaanse godsdienstsocioloog en publicist Andrew Greeley. "Religion around the world' is de titel van het rapport. Dat "around the world' is enigszins overdreven, want slechts twaalf landen worden bestudeerd met o.a. Israel, Hongarije en Nieuw Zeeland, maar zonder België, Frankrijk en Spanje. In al die landen samen werden 19.000 respondenten ondervraagd.

Ook sommige kranten in ons land hebben over de resultaten van dit onderzoek - op de voorpagina - bericht. De mensheid zou aan de vooravond staan van een wereldwijd reveil "van de godsdienst', waarmee kennelijk alleen de christelijke godsdienst is bedoeld. Het klinkt wat ronkend, maar volgens Greeley is de "religieuze devotie' in de geschiedenis van de mens nog nooit zo sterk geweest als nu, met name in Ierland en in de Verenigde Staten. Hij geeft toe dat er geen massale terugkeer is naar de religie, maar vooral onder de indruk van de overleving van de godsdienst in eertijds communistische landen, is er volgens hem een "onzichtbare heropleving van het geloof in het leven na de dood'. Dat "onzichtbare' is wel wat merkwaardig, want empirisch onderzoek wil toch vooral zichtbaar maken. Interessant is Greeley's hypothese, dat bij de strijd tussen modernisering en godsdienst uiteindelijk niet het secularisme, maar een soort magisch animisme de overhand zal krijgen.

Het optimisme van deze priester-socioloog, die nooit iets van de secularisatie-thesis moest hebben, geldt echter niet voor ons land. Oost-Duitsland is vrijwel ongodsdienstig onder de communistische druk vandaan gekomen, maar Nederland behoort tot de meest geseculariseerde landen ter wereld. Geloof en religieuze praktijk variëren heel sterk per land, maar zo schrijft Greeley "alleen Oost-Duitsland lijkt een onreligieus land te zijn en alleen Nederland een land waarin de secularisatie zich snel ontwikkelt''.

In een noot geeft hij als nadere verklaring, dat de secularisatie-thesis precies op ons land past en dat protestanten en katholieken er evenzeer onder te lijden hebben. Ze maken volgens hem slechts tweevijfde van de bevolking uit. Hij voegt er nog de opmerking aan toe dat conservatieve katholieken in Nederland de neiging hebben om de onkerkelijkheid toe te schrijven aan het Vatikaans Concilie. Dat is volgens Greeley onjuist, omdat de secularisatie het protestantisme in dezelfde mate heeft aangetast. In de literatuurlijst ontbreekt elke verwijzing naar enige publikatie, die deze stelling zou kunnen bevestigen. Er staat zelfs geen enkele Nederlandse publikatie in vermeld.

Nog raadselachtiger is het feit dat Greeley blijkbaar geen weet heeft van een ander internationaal onderzoek, namelijk van de "European Value Systems Studygroup' (EVSSG). Op het eind van de jaren zeventig hebben prof. R. de Moor (Tilburg) en prof. J. Kerkhofs (Leuven) onder dezelfde naam in Amsterdam een stichting in het leven geroepen. Bekende "opiniepeilers' als Gallup (Londen), Faits et Opinions (Parijs) en het Institut für Demoskopie (Allensbach) werden erbij betrokken. De eerste enquête werd in 1981 in Westeuropese landen afgenomen bij 12.000 mensen. In 1989 kwamen daar nog enkele landen bij o.a. de Sovjet-Unie. Dr. L. Halman heeft daaraan zijn dissertatie gewijd "Waarden in de Westerse Wereld' (1991) en volgens een bericht in deze krant (26 juni) is er een nieuwe publikatie op komst. Ook hier is sprake van longitudinaal onderzoek, zodat de veranderingen op de voet kunnen worden gevolgd.

De betekenis van dit onderzoek is evident en het verdient ook alle steun. Toch zou ik willen pleiten voor een eerste inventarisatie van de Europese culturele identiteiten, die niet aan staten gebonden zijn en zelfs binnen eenzelfde staat voorkomen. Alleen zo zou de veelvormigheid van Europa aan het licht kunnen komen. De bijdrage die kleinere cultuurgemeenschappen, zoals in ons land Friesland, aan de beschaving hebben geleverd en nog steeds leveren staan vaak niet in verhouding tot hun geografische omvang. Een studie daarvan in Joegoslavië zou veel ellende hebben kunnen voorkomen om van de toekomstige problemen in de vroegere Sovjet-Unie maar niet te spreken. Er zijn ook problemen van psychologische aard. Maarten Maurik konstateert in zijn publikatie het verschijnsel van neerbuigendheid, laatdunkendheid, onverschilligheid en zelfs minachting, die vertegenwoordigers van grotere cultuurgemeenschappen voor de kleinere hebben. “Een houding die ook niet vreemd is aan sommige politici en ambtenaren, verantwoordelijk voor de officiële culturele betrekkingen tussen Nederland en Vlaanderen.” Dit geldt evenzeer voor de media in ons land, die wel heel sterk op de Randstad zijn betrokken. Wellicht zijn de problemen, die politici momenteel hebben met de zogenaamde "Overzeese Rijksdelen' ook vooral van psychologische aard.

Soms denk ik wel eens dat we, ondanks alle resultaten van technisch goed uitgevoerd opinie-onderzoek, elk definitief oordeel over andere culturen moeten opschorten totdat wij er enige tijd participerend onderzoek ter plaatse hebben kunnen uitvoeren. Misschien een goed advies aan het begin van het vakantieseizoen en een goedkope manier van bijklussen.