"Honger naar kunst is verdwenen'; Recessie noopt galerie Brinkman tot sluiting

AMSTERDAM, 14 JULI. Na bijna twintig jaar zet Hans Brinkman een punt achter zijn loopbaan als galeriehouder. Dat betekent dat Nederland een galerie verliest die lange tijd een van de meest toonaangevende is geweest op het gebied van de hedendaagse kunst.

“De recessie heeft me de das omgedaan,” zegt Brinkman (1942) in zijn lege galerie in de Amsterdamse Rozenstraat. Hij zegt "behoorlijk aangedaan' en "teleurgesteld' te zijn door de gebeurtenissen.

Brinkman begon met kunstenaars als Paul de Lussanet, Sjoerd Bakker en Johan van Oord. Later volgden het Deense Cobra-lid Asger Jorn en Jacqueline de Jong. Uit zijn stal was conceptueel kunstenaar Pieter Engels een van de bekendsten.

Als eerste galerie in Nederland bracht hij grote namen als Antonio Tapies en Mario Merz. Brinkman, voorzitter en initiatiefnemer van de Bond van Nederlandse Galeriehouders, een samenwerkingsverband in oprichting van veertig galeries, heeft zich van begin af aan ingezet voor de belangen van galeriehouders. In 1974 was hij de initiatiefnemer en directeur van de eerste nationale kunstbeurs - die toen in de Koepelkerk in Amsterdam werd gehouden. Hij organiseerde begin jaren tachtig jaarlijkse kunstbeurzen in de Nieuwe Kerk en de afgelopen tien jaar was Brinkman lid van de adviescommissie van de invloedrijke kunstbeurs van Bazel. Ook van de galerieadviesraad van de KunstRai maakte hij deel uit. “Mijn hele leven draaide om de kunst. Afgezien van de financiële kant investeerde ik vooral emotioneel in de galerie en als daar weinig respons op komt dan begin je je toch een beetje lullig te voelen. Dat valt heel zwaar.”

Zijn besluit om er mee te stoppen viel voor hem na de laatste KunstRai. “Toen ben ik samen met m'n collega Bart van der Ven - The Living Room - een aantal keren flink doorgezakt en heb vastgesteld - en later nog eens voor mezelf bevestigd - dat het zo niet langer door kan gaan. We stoppen er mee, zeiden we tegen elkaar.”

Brinkman ziet het ook voor zijn collega's somber in: “Velen zullen me binnenkort volgen, daar ben ik van overtuigd. Het zal me niets verbazen als er eind volgend jaar alleen al hier in Amsterdam tien tot vijftien kwaliteitsgaleries minder zullen zijn, dat weet ik zeker, al weet ik niet hoe groot hun reserves zijn om er geld in te blijven pompen. Voor mij was het niet meer op te brengen.”

De tijden zijn weleens anders geweest. Brinkman verwijst naar eind jaren zeventig en jaren tachtig: “Toen haalde ik nog jaaromzetten van vier tot zes ton. De afgelopen paar jaren zakte dat tot een ton. Veel te weinig om van te kunnen draaien want alleen al de vaste lasten bedragen vijfduizend gulden per maand, dus als ik van een tentoonstelling waar zo'n vier à vijfhonderd bezoekers naar komen kijken niets verkoop dan moet ik de maand daarop voor tienduizend verkopen enzovoorts. Ik heb weleens gedacht om entree te heffen, maar dan komt er helemaal geen hond meer kijken.”

Niet alleen de verkoop neemt drastisch af ook de belangstelling: “Op de laatste KunstRai voelde ik me alsof ik op de Firato was. Het publiek schuifelde zwijgend voort, was mat en ongenteresseerd. Van de honger naar kunst uit de jaren zeventig/tachtig is niets meer over. In voorgaande jaren kochten twintigduizend bezoekers voor rond de tien miljoen; de laatste keer waren er veertienduizend bezoekers en kochten voor anderhalf miljoen en deze dramatische cijfers zijn nog geflatteerd.”

Ook over zijn ervaringen met musea is Brinkman weinig positief. “Museumdirecteuren kopen liever voor meer geld bij buitenlandse galeries. Wim Beeren kwam, toen nog voor het Museum Boymans-Van Beuningen, nog na de laatste dag van mijn Merz tentoonstelling kijken maar kocht niets. Had hij een iglootje willen hebben dan had ik dat zo kunnen regelen. Later is er een Merz voor een veel hogere prijs aangekocht. Zo misten musea ook de kans om een mooie Joseph Cornell aan te schaffen die ik met veel moeite hier naar toe haalde toen deze nog betaalbaar was.”

Wat Brinkman vooral stoort is het gebrek aan overleg met bijvoorbeeld WVC. “Als ze een tentoonstelling in het buitenland organiseren worden wij galeriehouders veel te laat op de hoogte gesteld. Op die manier kan ik niets meer voor m'n kunstenaars regelen om die dan gelijktijdig bij een bevriende galerie onder te brengen. Maar ja, in een kunstwereld vol egotrippers is het moeilijk samenwerken.”

Drie maanden geleden heeft Brinkman een met voortbestaan bedreigd café in de Jordaan overgenomen. “Ik zag de bui al hangen. Het werd tijd om de bakens te verzetten.”