Godslastering hoort bij moderne cultuur; “Het gaat er niet om blasfemie als zonde te loochenen, nee, er schuilt juist veel goeds in”

De Britse mevrouw Mary Whitehouse, de gedreven pleitbezorgster voor kuise televisieprogramma's, heeft eens een aanklacht wegens godslastering ingediend tegen het blad Gay News en zijn medewerker James Kirkup. Kirkup, een dichter van naam en een gerespecteerd lid van de samenleving, had een gedicht gepubliceerd met de titel "De liefde die haar naam durft noemen'. Daarin kijkt een Romeinse legerhoofdman naar het gekruisigde lichaam van Jezus met spijtige homo-erotische genegenheid. Het is een nogal ontroerend en zeker niet prikkelend bedoeld gedicht. Men kan zich niet wel voorstellen dat Jezus Christus er aanstoot aan zou hebben genomen. Mevrouw Whitehouse' verontwaardiging is, zoals gewoonlijk, toe te schrijven aan haar onchristelijke emoties bij het lezen van de vermeende godslastering.

De rechter voor wie het oorspronkelijke proces diende was niet anglicaans maar joods. Rechter King-Hamilton, eertijds hoofd van de synagoge van West-Londen, feliciteerde de jury met haar galmende schuldigverklaring en sprak de wens uit dat de wetgeving inzake godslastering zou worden verscherpt. Voor de afdeling rechtspraak van het Hogerhuis werd, in cassatie, dit vonnis door drie van de vijf rechters bekrachtigd. Lord Scarman pleitte ervoor dat de omschrijving van godslastering in de wet zou worden verruimd “ter bescherming van de religieuze overtuigingen en gevoelens van niet-christenen () tegen liederlijkheid, beschimping, bespotting en verachting. () Mijn kritiek op de jurisprudentie over godslastering is niet dat ze bestaat maar dat ze ontoereikend is. Ze is gebonden door de ketenen der geschiedenis”.

Bravo, zeggen de moslims. De boeddhisten kan het niet schelen. Christenen die niet tot de Engelse staatskerk behoren, zullen zich afvragen waarom de staat - immers een werelds en geen theocratisch instituut - zich bemoeit met religieuze fijngevoeligheden. Het gaat hier, let wel, om het aanstootgevend gebruik van woorden, en niet om stuitende afdwalingen van de rechte leer. Zeker, in de achttiende eeuw is er gepleit voor herinvoering van de wet de heretico comburendo ("inzake ketterverbranding'), maar wie achtte zich bevoegd om als rechter over ketterij te oordelen? Godslastering is, in de definitie van David Lawton, een retorisch stijlmiddel, dat zelfs door een onwetende vrouw als Mary Whitehouse te herkennen is - en dat natuurlijk niets met de verkondiging van een dwaalleer te maken hoeft te hebben (Blasphemy, door David Lawton, uitgeverij Harvester Wheatsheaf).

De zaak-Kirkup dateert uit 1977. Ik maakte me destijds zorgen, niet om de morele terugval die eruit sprak, maar omdat ik juist op het punt stond zelf een tamelijk schril godslasterlijk geschrift te publiceren: ruim zeventig sonnetten van de Romeinse dichter Belli, waarvan de liederlijkheid in het Engels die van het Romeinse riool evenaarde. Belli, een Vaticaanse censor uit het midden van de negentiende eeuw, wist dat de christelijke leer voor het Romeinse plebs alleen begrijpelijk te maken was in de vorm van smerige grappen, waarin Jezus en zijn moer er lustig op los vloekten. Het Times Literary Supplement zou vijf van de sonnetten opnemen, en de uitgeverij Faber & Faber zou met een boek komen onder de titel ABBA ABBA, met de zeventig sonnetten in een aanhangsel. Sommigen meenden dat het boek over een Scandinavische zanggroep ging - maar dat was nu eens wat je noemt godslastering. Mevrouw Whitehouse verhinderde de publicatie niet, maar ze had het kunnen doen.

Lawsons gedegen geschiedenis van de godslastering gaat terug tot Jezus zelf, die terechtstond voor het jammerende, gewaden verscheurende sanhedrin. Een van mijn helden ontbreekt evenmin: Michael Servetus, de zestiende-eeuwse Spanjaard die wordt beschouwd als de vader van het unitarisme. Servetus werd als kind gecastreerd met de bedoeling dat hij bij het koor van het Vaticaan zou komen, maar hij werd arts en zou volgens sommigen vóór Harvey de bloedsomloop hebben ontdekt. Mijn eigen, misschien onhoudbare, mening is dat hij een verband zag tussen de overgang van aderlijk in slagaderlijk bloed, via de haarvaten, en de eenheid van God: de Drieëenheid was eerder een kwestie van veranderlijke gedaanten dan van aparte wezens.

Hij schreef geleerde taal, maar hij schokte de orthodoxe gelovigen met een schrikwekkend aforisme: “De Drieëenheid is een driekoppige Cerberus”. "Cerberus' werd fluks ontgriekst tot "hond', en Servetus werd in heel Europa vervolgd. Zowel de lutheranen en zwinglianen als de rooms-katholieken eisten zijn hoofd. Hij zocht zijn toevlucht in Genève, de plaats bij uitstek waar hem de meest uitgelezen wraakgierigheid van heel Europa te wachten stond. Calvijn verbrandde hem om zijn ketterij, maar zijn godslastering kwam hem te staan op de natte twijgen die zijn doodsstrijd verlengden. Dit was een onvergeeflijke zonde van Calvijn.

Lawson schrijft over “de heropleving van het discours over godslastering als gevolg van de Reformatie”. Een periode van herwaardering wat zaken des geloofs betreft, levert allicht een hoeveelheid eerste kwaliteit godslastering op, hetgeen in Lawsons terechte opvatting niet zozeer een afwijking van de norm is als wel een tastend zoeken naar een nieuwe, meer menselijke en rationele leer. Menocchio, de molenaar van Friuli, werd in 1600 ter dood gebracht wegens “loochening van de maagdelijkheid van de eeuwig gezegende Maagd Maria, van de goddelijkheid van de Here Jezus en van Gods Voorzienigheid”. Zijn zaak was een bagatel, maar dat was die van zijn tijdgenoot Giordano Bruno, ook een slachtoffer van de Contrareformatie, niet. Zijn tong werd gebonden - waarmee men het belang onderstreepte van zijn godslastering, de loochening van de Drieëenheid (wellicht ontleend aan Servetus) - en hij werd verbrand op het Campo dei Fiori in Rome, waar zijn standbeeld aan de schande van zijn dood herinnert.

Ten slotte belandt Lawton bij het meest geruchtmakende geval van godslastering uit de laatste tijd, dat hem naar eigen zeggen op het spoor van zijn bredere onderzoek heeft gezet. Hij is een groot bewonderaar van De Duivelsverzen, een titel die niet voortkomt uit de islamitische traditie, maar waarschijnlijk zijn oorsprong vindt in de westerse oriëntalistiek. In het Arabisch kan de zinsnede alleen worden weergegeven als “De duivelskoran” of “De koran is het werk van Satan”. Beide wendingen waren blijkbaar al zo godslasterlijk dat het overbodig was het boek open te slaan en te lezen wat in essentie een Indiaas-islamitisch verhaal is.

De moslimgemeenschap in India is van oudsher “secularistisch georiënteerd: de mullah's verzetten zich bij voorbeeld al tegen de Moslim-liga van Jinnah”. Rushdie richtte zich, als Indiaas schrijver, tot de Indiase moslims; de fatwa van Ayatollah Khomeini kwam onverwachts. Rajiv Gandhi verbood het boek omwille van de betrekkingen tussen de verschillende bevolkingsgroepen - hij had zo fatsoenlijk kunnen zijn een lans voor Rushdie te breken, maar misschien wilde hij zich wel wreken voor het weinig flatteuze portret van zijn moeder in Middernachtskinderen.

Er wordt niet gepoogd om Rushdie vrij te pleiten: het gaat er niet om godslastering als zonde te loochenen, nee, er schuilt juist veel goeds in. “We kunnen naar mijn oordeel beter de prominente aanwezigheid van godslastering in Rushdie's boek onderkennen dan haar de wereld uit te redeneren of ons ertoe te laten verleiden Rushdie te verdedigen tegen de aanklacht dat hij "te ver' zou zijn gegaan. Heeft er ooit zo iets als tactvolle godslastering bestaan? Ons betoog moet zijn dat godslastering van tijd tot tijd zowel creatief als noodzakelijk is, en dat ze niet slechts een integraal maar zelfs een fundamenteel onderdeel uitmaakt van de cultuur en de identiteit van de roman en zijn publiek”.

Daar heeft Lawton gelijk in: hoe meer godslastering er is, hoe minder ze nog opvalt. Of, om zijn naschrift uit R.G. Ingersolls verdediging van C.B. Reynolds te citeren (deze laatste was in 1887 in Merristown, New Jersey, aangeklaagd wegens godslastering): “Waar wij behoefte aan hebben is intellectuele gastvrijheid. Laat de wereld praten”.