Geladen duo-voorstelling van Ikeda en Murobushi in Juli-dansprogramma; Dans der duisternis van geestverwanten

Julidans. Voorstelling: Ai Amour door Ariadone. Choreografie en dans: Carlotta Ikeda, Ko Murobushi; muziek: Osamu Goto; licht: Eric Loustau-Carrere. Gezien: 13/7 Stadsschouwburg Amsterdam. Aldaar t/m 14/7.

De Amsterdamse Stadsschouwburg presenteert voor het derde jaar een internationaal zomerprogramma. Onder de noemer Julidans treden daarin bekende buitenlandse moderne dansgroepen op naast jong choreografisch talent uit eigen land. Er is vooral gelet op contrasterende artistieke invalshoeken en verschil in bewegingsstijl. Zo begon de maand met het Canadese gezelschap La La La Human Steps van de choreograaf Edouard Lock met het acrobatische dansspektakel Infante/C'est Destroy. Deze voorstelling werd gevolgd door de sobere en ingetogen produktie Ai Amour van de Japanse Butohdansgroep Ariadone.

Dit volledig uit vrouwen samengestelde gezelschap treedt met een zekere regelmaat in ons land op vanaf het begin van de jaren tachtig, het laatst in het kader van Julidans '92 met La Langage du Sphinx. Ariadone werd in 1974 opgericht door de choreografe Carlotta Ikeda en haar mannelijke collega Ko Murobushi. Beiden kennen elkaar van de spectaculaire Butohdansgroep Dai Rakuda Kan, die nauwelijks het Westen aandoet.

Butoh of ankoku butoh staat voor dans der duisternis, een avantgardistische dansvorm die zich rond 1960 in Japan ontwikkelde. Kenmerkend zijn de trage bewegingen, verwrongen houdingen, sidderende ledematen, wit gekalkte lichamen en voor de mannen kaal geschoren hoofden. Vaak druipt er een sliertje rode verf uit oren, neus of mond. Daarmee worden surrealistische beelden opgeroepen die in een gestileerde, esthetische theatervorm zijn gegoten.

Hoewel Ikeda en Murobushi bijna twintig jaar samenwerken is het bij mijn weten voor het eerst dat zij getweeën optreden in een gezamenlijk choreografie. Ai Amour gaat over een paar geestverwanten die elkaar weer ontmoeten via hun herinneringen. Het verhaal speelt zich af in een sober toneelbeeld, een vierkant tegelvlak dat bijzonder mooi is belicht. De struktuur van het dansstuk is a-symetrisch: vier duetten die worden onderbroken door drie solo's. Het dansidioom is kaal, maar de bewegingen krijgen door de intense vertolking een geladen expressiviteit.

In het eerste deel staan de nauwelijks merkbare veranderingen van houding en gebaren - waarvoor de dansers over een indrukwekkende lichaamsbeheersing moeten beschikken - in schril contrast met de stevige beatmuziek waarmee de geluidscollage van Osamu Goto begint. Vervolgens botsen de karakters met de agressieve ontlading van een onweer. De verzoening die daarna plaatsvindt is echter zó verstikkend dat de man zich bevrijdt.

Dat is de aanleiding voor de eerste solo van Murobushi waarin de danser opleeft als een verdorde plant in een regenbui. Ikeda slaat daarna in haar deel een bos langstelige rozen tegen de grond kapot, als symbool van de geknakte liefde en uitgevoerd op Sukiyaki, een tophit uit de jaren zeventig smeltend vertolkt door de Japanse zanger Kya Sakomoto. Gelouterd vindt het paar elkaar weer. Maar zij dragen witte kleren, de Japanse rouwkleur.

Ai Amour is een bijzonder mooie voorstelling en de meest Westerse produktie van Ikeda en Murobushi. Ondanks de vervreemdende elementen die bij de butoh-dans horen, blijven de karakters dicht bij de toeschouwer. Die zal zich echter wel moeten instellen op het trage tempo, want Ai Amour is beslist niet zomaar een zomeravondje uit.