"Een renner uit de wedstrijd nemen is het vervelendst'

VILLARD DE LANS, 14 JULI. Als het peloton morgen de Col d'Izoard passeert, hangt een helicopter van de jury daar vijftig meter boven. Van achter camera met zoomlens registreert één van de vier internationale juryleden alle ongeregeldheden. Hangt een renner even aan een wagen? Laat hij zich duwen? Piest hij van zijn fiets, terwijl er mensen langs de kant staan? Elk vergrijp wordt vastgelegd op video.

De internationale jury zet die helicopter alleen bij bergetappes in. In andere ritten wordt volstaan met auto's. Eén jurylid blijft in het kielzog van de kopgroep, één aan de staart en één daartussen. En de voorzitter van de jury rijdt achter het peloton in de wagen van de Tour-directie. Daarnaast zien ook nog eens zes nationale juryleden, gemotoriseerde Fransozen, op naleving van de reglementen toe.

De eerste week noteerde de jury per dag niet meer dan twee delicten. Wat wil je? Vlakke etappes. Het rennersveld bleef vrij compact. Maar in de bergen loert het oproer. Hoe moet je nog overzicht houden als er tussen bezemwagen en kopgroep een gat gaapt van twintig minuten? En dodelijk vermoeide renners doen in hun wanhoop alles om maar tijdig aan de meet te komen. De jury is paraat.

Een van de vier internationale juryleden is de Nederlander Martijn Swinkels, veertig, in het dagelijks leven belastingambtenaar. In de eerste plaats voelt hij zich wielerliefhebber, pas daarna jurylid. Misschien dat hij zich daarom zo vereenzelvigt met de belangen van de renners. Regels zijn regels, zegt hij, en naleving van die regels dient het sportieve verloop van de koers. Maar je moet niet te rechtlijnig omgaan met die reglementen. Je moet de renners steeds het voordeel van de twijfel gunnen. Soms moet je een oogje durven dicht te knijpen. En een enkele keer moeten de regels genegeerd.

Hij is geen scherpslijper, geen dogmaticus. Hij laat zich ook niet onder druk zetten door overijverige collega's. “Al heb ik al tien dagen lang geen overtredingen geconstateerd, ik ga er niet naar op zoek. Ik vind het onzin om het minste of geringste te bestraffen. Het liefste deel ik helemaal geen straffen uit.”

Toch was hij het die vorige week woensdag Tony Rominger, één van de Tourfavorieten, zestig seconden tijdstraf bezorgde. Dat vindt hij nog steeds “beroerd”. “Maar ik kon niet anders.” De Clas-ploeg was nog maar met vijf man in de laatste klim. En twee van hen konden eigenlijk niet meer mee. Op kop reed Rominger iedereen los en zijn ploegleider moest hem door de megafoon voortdurend manen toch vooral rustig aan te doen. Maar nog had Jörg Müller het tempo niet kunnen volgen. Daarom had zijn ploegmaat Unzaga hem tot twee keer toe geduwd. De eerste keer had Swinkels nog getoeterd, bij wijze van waarschuwing. Maar de tweede keer moest hij die overtreding wel noteren. Tenslotte ging het om de vijfde man wiens tijd in de ploegentijdrit doorslaggevend was. Als hij niet had ingegrepen, had hij de andere teams benadeeld. “Wel zuur voor Rominger.”

Nooit zal hij een renner bestraffen als hij niet vast overtuigd is van diens schuld. “Honderd procent zekerheid” wil hij hebben. Een vermoeden alleen is niet genoeg. En liever nog laat hij een wandader lopen, dan een onschuldige te pakken. Deze week nog. Hij zag dat een renner aan de wagen hing. Maar dat zag hij uit de verte en toen hij dichter bij kwam, dook die renner weg in het peloton. Hij had wel een idee om wie het ging, hij wist ook van welke ploeg de renner was. Maar over zijn identiteit was hij toch niet helemaal zeker. Dus deed hij niets.

Het vervelendst vindt hij renners deklasseren of uit de wedstrijd nemen. Dat hakt er zo hard in. Maar soms kan hij er niet omheen. Zoals dit jaar bij de Teleflex-Tour. Een renner die zich na een valpartij door een wagen liet voorttrekken met een snelheid van tachtig kilometer in het uur. Niet een klein stukje, dat is natuurlijk ook niet toegestaan, maar dat had hij nog wel door de vingers willen zien. Vanwege die valpartij. Maar nee, dat ging maar door. “Dan moet je hard en meedogenloos zijn.”

Swinkels snapt die smokkelende renners wel. Hij begrijpt ook heel goed de ploegleiders die daar hun steun aan verlenen. “Als ze niks doen, is zo'n ook renner gezien. Dan komt hij binnen buiten de tijd. Dan kan hij ook vertrekken. Waarom zou hij dan geen gokje wagen? Als hij getrappeerd wordt, heeft hij pech gehad. Dat is het spel.”

Hij maakt zich geen illusies. “Er gebeurt van alles wat wij niet zien.” Zeker in de bergritten. Ondanks de helicopter. Er gebeurt ook van alles, zegt hij, wat hij nog steeds niet kan doorgronden. Neem de combinevorming. Strafbaar volgens de reglementen. Maar hoe bewijs je dat twee ploegen samenspannen? “Dat is het allermoeilijkste. Je kunt het wel vermoeden. Maar dat is niet genoeg.”