De Koreanen, Ruslands "tweede gele gevaar'

VLADIVOSTOK/YANJI, 14 JULI. De Russen in Vladivostok spreken over "het tweede gele gevaar': etnische Koreanen die verspreid leven over de voormalige Sovjet-Unie, maar zouden willen terugkeren naar het drielandenpunt van China, Rusland en (Noord-)Korea. Hier ligt een nieuwe potentiële bedreiging voor het Russische gezag over Primorije denkt de historische publicist Aleksej Boejakov. “Het zal echter zo veel geld en tijd kosten om de Koreanen terug te brengen naar Primorije dat het een probleem van latere datum is. Het Chinese probleem is onmiddellijk en acuut”, aldus Boejakov.

Wanneer men in de straten van Vladivostok of Chabarovsk een Oost-Aziaat in het Chinees aanspreekt is de kans groot dat men in het Russisch antwoord krijgt: “Ja nje Kitaiski, ja Korejitsj” (Ik ben geen Chinees, maar Koreaan). Het zijn geen achterblijvers van de voormalige Sovjet-Noordkoreaanse broederschap, maar "Sovjet-Koreanen' die een lange geschiedenis van ballingschap en omzwervingen achter de rug hebben.

Jevgenie Park, een ingenieur van 40, is geboren in Tadzjikistan, dat hij onlangs ontvlucht is wegens de burgeroorlog daar. Russisch is zijn eerste taal en Koreaans, evenals Engels, spreekt hij gebrekkig. Parks vader woonde voor de oorlog in Vladivostok, maar werd in 1937, toen de Japanners in Oost-China het satelliet-keizerrijk Mansjoekwo uitriepen, met ruim 180.000 andere Koreanen uit het Russische Verre Oosten verbannen.

Stalin vreesde dat de Koreanen een pro-Japanse vijfde colonne zouden kunnen worden. Korea was toen immers ook een Japanse kolonie. Juist door de Japanse bezetting van Korea, in 1910, waren tienduizenden Koreanen naar Vladivostok en omstreken gevlucht, een gebied dat toen de laatste jaren van pre-revolutionaire vrede en ongekende economische bloei kende. Al vóór de Russische verovering van het gebied in 1860 verbleven daar trouwens Koreaanse seizoenarbeiders, jagers en vissers.

De Koreanen werden na hun deportatie in 1937 gedumpt in de woestijn van Kazachstan, van waaruit zij zich over andere delen van Centraal-Azië verspreidden. De meeste Koreanen zitten nog steeds in Kazachstan, waar zij gelden als gerespecteerde harde werkers, die een invloedrijke rol in de economie spelen. Kazachse en vooral Oezbeekse nationalisten, die zuivering van hun republieken van niet-moslims nastreven, maken hun momenteel het leven zuur.

De situatie is het ergst in het door burgeroorlog geteisterde Tadzjikistan. Volgens een diplomaat op het Zuidkoreaanse consulaat in Vladivostok hebben inmiddels 10.000 Koreanen Tadzjikistan verlaten en een deel heeft zich opnieuw in hun plaatsen van herkomst in Primorije, het Russische Verre Oosten, gevestigd. Het Russische parlement heeft een wetsontwerp op de agenda staan dat de rechten van alle Koreaanse gedeporteerden uit de jaren dertig om zich vanuit Centraal-Azië in Rusland te vestigen heeft erkend.

Volgens de diplomaat en ook volgens politieke commentatoren is het rehabilitatie-proces, ongeacht de aanname van de wet, al in volle gang. De grootschalige terugkeer van de Koreanen naar Primorije zal echter tijd kosten, want wie zal het bekostigen en hoe zullen er banen gecreëerd worden. Zuid-Korea heeft grote sympathie voor de wedergeboorte van de vertrapte Koreaanse gemeenschap in de voormalige Sovjet-Unie, maar een groot deel van de etnische Koreanen, vooral de jongeren, spreekt geen Koreaans meer.

Er zijn daarom grenzen aan wat de Zuidkoreaanse regering bereid en in staat is te doen. De regering in Seoul heeft haar steun aan Zuidkoreaanse investeerders in Primorije gebonden aan Russische instemming met preferentiële werkgelegenheid voor terugkerende Koreaanse ballingen in Russisch-Zuidkoreaanse joint-ventures, maar dat stuit op sterke Russische weerstand. De Russisch-Zuidkoreaanse economische betrekkingen zijn toch al niet florissant wegens de Russische achterstand in rentebetalingen op de lening van 3 miljard dollar die Zuid-Korea drie jaar geleden aan Sovjet-president Michail Gorbatsjov gaf.

Een ander dreigend probleem is dat de etnisch-Koreaanse organisaties in Rusland steeds meer over een "thuisland' in het Russische Verre Oosten, naar het model van de Yanbian Koreaanse Autonome Prefectuur in de Chinese grensprovincie Jilin spreken. Daar wonen bijna een miljoen etnische Koreanen, die volledige culturele autonomie, inclusief een Koreaans-talige universiteit hebben.

Volgens de Koreanen hoorde dat gebied historisch bij Korea, maar een groot deel van de huidige Chinese Koreanen vestigde zich ook tijdens de oorlog in Mansjoekwo omdat zij daar van de Japanse heersers een betere behandeling kregen dan de etnische Chinezen. De Chinezen kunnen zich de generositeit van Koreaanse autonomie op hun grondgebied permitteren omdat zij toch altijd een overweldigende meerderheid zullen vormen, maar in Rusland ligt dat anders.

De Russische en Chinese Koreanen spreken met afschuw over de brute, verpauperde politiestaat Noord-Korea en beschouwen Zuid-Korea als een paradijs. Etnische Koreanen, zowel in Vladivostok als in Yanbian zeggen dat als er vroeg of laat Koreaanse hereniging komt zij of naar Korea terugwillen of aansluiting bij Korea willen zoeken.

Aleksej Boejakov meent dat een herenigd Korea een rivaal van China zal worden voor de toekomstige controle over de etnische Koreanen in de autonome grensprefectuur Yanbian en dat handige manipulatie van deze tegenstellingen tot voordeel van Rusland zou strekken. Russische intellectuelen geven zich graag over aan de illusie dat China etnisch even fragiel is als de voormalige Sovjet-Unie of de huidige Russische Federatie.

Dr. Michail Sjinkovski, voormalig propaganda-chef van de communistische partij in Vladivostok en nu dekaan van de School voor de Journalistiek aan de universiteit denkt dat zich overal in China afscheidingsbewegingen zullen vormen: van Kazachen en Oeigoeren in Xinjiang, van de Tibetanen, de Binnen-Mongolen en de grens-Koreanen. Hij is er moeilijk van te overtuigen dat China maar één echt etnisch probleem heeft, namelijk de Tibetanen en dat de rest slechts lichte jeuk aan de opperhuid is. Zelfs het probleem Tibet kan China hanteren met een mengsel van periodiek bruut geweld en constante versnelde economische ontwikkeling.

“Geen land heeft zijn minderheden-probleem zo goed opgelost als China en nergens is culturele en taalkundige gelijkheid zo goed geregeld als hier”, zegt Quan Zhezhu, de etnisch-Koreaanse prefect van de Yanbian Koreaanse Autonome Prefectuur in zijn tweetalige hoofdstad Yanji, waar alle straatnamen, opschriften, kranten enzovoorts tweetalig zijn. Hij wijst op het tweetalige menu, Koreaans en Chinees, voor het diner dat hij me aanbiedt. “In Russische restaurants vind je niet eens behoorlijk eten, laat staan een tweetalig menu”, grinnikt hij.