De koning slaapt

1

Er huist een loden vreemdeling in mij.

Geen handlanger (twee zielen in één borst),

Geen man die, als ik glim, uit plagerij

Mijn spiegelvlak bewasemt of bemorst,

Of die, als ik ellendig ben en schrei,

De zorg die mij bezwaart lichtvoetig torst,

Geen man die slapen wil wanneer ik vrij

Of, als ik vol zit, honger heeft en dorst,

Geen speelgenoot (gebieder en lakei),

Maar een ondeelbare en strenge vorst,

Die uit is op de opperheerschappij.

Hij loert naar me, diep in een hersenkorst.

2

Hij kan me in zijn halfslaap niet vergeten.

Geen wiegelied, geen lans duwt hem opzij.

Zijn ooglid trilt. Zijn tijd is ruim bemeten.

Hij wil mij hebben, zonder mij er bij.

Hij polst mijn maat, de lengte en de breedte,

En ziet mijn lichaam als een lekkernij.

Hij proeft wat, zonder zich te overeten,

En wacht. Er is geen haast met het karwei.

Ik ken hem niet. Ik wil niets van hem weten.

Zijn macht erken ik pas wanneer hij mij

Van top tot teen zal hebben opgevreten.

Niet eerder. Tot dat feestmaal ben ik vrij.