Toch dood

Lisette was altijd een stuk jonger dan wij. Nu is ook zij in de veertig. In mei is haar vader gestorven.

“Heb je”, vraag ik, “al gedroomd dat hij nog leeft?”

Ze knikt. Ze droomt dat hij tijd voor haar maakt, dat ze samen iets gaan doen, dat ze gaan schaatsen. Ze weet dat er iets niet klopt. Ze moet hem iets vragen. Maar wat? En dan laat ze het maar zitten. Als ze wakker wordt: een aangenaam gevoel, hij is er nog een beetje.

Iris droomde destijds herhaaldelijk dat haar vader weer kon lopen. Maar pa, zei ze verbaasd, hoe kan dat nou, je bent toch dood? Hij antwoordde dat het juist heel goed met hem ging.

Zelf heb ik dergelijke dromen alleen nog maar gehad over Bello (dat hij dood dezelfde dingen deed als toen hij nog in leven was) en over de partij (dat ik geen lid meer was, maar er nog wel bij hoorde).

Zo vreemd, zo vriendelijk. Dat onze dromen, toch vaak zo wrang en harteloos, op zo'n moment zo aardig kunnen zijn. Zij onderhouden een onmogelijk contact voor ons. De doden zijn er nog een beetje, ja.

De doden zijn er nog, ze zijn alleen niet hier.

De dood als elders voortgezet bestaan. Dat is te doen. Dat kennen we. Hoe vaak komt dat niet voor? Dat we zelf op de ene plaats zijn en onze geliefden op een andere? Dat je maar naar huis hoeft te gaan om bij elkaar te zijn?