Prototype van de burger?

Het “prototype van de Nederlandse burger” - zo noemt, in een bespreking in de Volkskrant van 10 juni, de historicus (prof.dr.) Jan Bank de liberale politicus Willem Hendrik de Beaufort (1845-1918), wiens dagboeken en aantekeningen dit jaar zijn uitgegeven door het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis. Uit die dagboeken heb ik hier op 15 en 29 juni enkele karakteristieke passages aangehaald.

Dat stel ik mij voor opnieuw te doen, maar eerst wil ik een vraagteken zetten achter Banks typering van De Beaufort als het “prototype van de Nederlandse burger”. Een gewone burger was De Beaufort zeker niet. In de eerste plaats was hij gefortuneerder dan de meesten. Wanneer een bank waarvan hij commissaris is, als gevolg van fraude in moeilijkheden komt, voelt hij zich verplicht met 350.000 gulden uit eigen vermogen het tekort te helpen aanzuiveren (dat komt neer op, ten minste, 3,5 miljoen nu).

De Beaufort behoorde dus zeker niet tot de kleine of zelfs middenbourgeoisie. Maar belangrijker is dat hij geen stedeling was. Hij was geboren, woonde en overleed op de Utrechtse buitenplaats De Treek en hield er een huis in de stad (Den Haag) bij. Bij de meeste burgers van zijn stand was het juist omgekeerd: die woonden in de stad en hadden daarnaast veelal een huis buiten.

Een betere karakterisering van De Beaufort lijkt mij dus te zijn: landedelman. Weliswaar was hijzelf, anders dan de meesten van zijn naam, niet van adel, maar hij was wel veelvuldig geparenteerd aan de, meestal Utrechtse, adel. Ook dat is, dunkt me, niet typerend voor “de Nederlandse burger” - al is het waar dat Huizinga alle Nederlanders burgerlijk noemt, “van den notaris tot den dichter en van den baron tot den proletariër”. Maar ja, dan verliest burger zijn waarde als criterium dat Nederlanders van Nederlanders onderscheidt.

Maar Bank verklaart zijn typering nader: De Beaufort is het “prototype van de Nederlandse burger” omdat hij is “terughoudend in affectie, protestant zonder scherpslijperij en op een vanzelfsprekende wijze antipapist, op een afstandelijke wijze koningsgezind, gecultiveerd in talen (Frans) en met banden met het buitenland, natuurlijk verweven in de koopmanselite zonder opsmuk”.

Zoals gezegd, was hij op z'n minst evenzeer verweven in de adel als in de koopmanselite (waartoe zijn moeder en zijn vrouw behoorden), maar verder kan ik Banks nadere typering onderschrijven. Het is overigens een typering waarvoor de aldus gekenschetste stand zich niet hoeft te schamen. Maar laat ik de rest van dit stukje vullen met enkele passages uit zijn dagboek die een schets geven van de sociale ambiance waarin hij verkeert wanneer hij niet, als minister of Kamerlid, deelneemt aan het politieke leven. In 1902 bezoekt hij Amsterdam, waar hij van 1869 tot 1873 had gewoond. Hij noteert:

“Amsterdam is in de laatste dertig jaren veel veranderd, maar het heeft toch zijn oude eigendommelijkheid bewaard. Vooral wanneer men het oude deel der stad tusschen het Damrak en de Amstel doorwandelt, wordt men getroffen door het eenig karakter van de stad. Iets geheel anders dan bijvoorbeeld Hamburg.

“De nieuwe voorsteden zijn als alle nieuwe stadsdelen. Alleen de gevels van gebakken steen hebben iets dat men in het buitenland niet zoo ziet. De drukte in de stad is ontzaggelijk toegenomen. In mijne jeugd was de Vijzelstraat een stille straat, thands moet men er voorzichtig zijn om niet overreden te worden.

“Het leven is door dit alles veel veranderd. De menschen van de eersten stand, die vroeger bijna alleen op de grachten woonden, zijn thands overal verspreid. De fraaie oude huizen worden scholen en kantooren; op de grachten is het aantal winkels zeer toegenomen. (...)

“Men ziet overal bewijzen van weelde. Alleen de equipages zijn zeer verminderd, doch dit komt voornamelijk daarvan dat de tramwagens en de groote drukte op straat het rijden met eigen rijtuig niet langer tot een genoegen maken en dat de Rijtuigvereeniging uitstekende rijtuigen en paarden heeft.

“De afscheiding tusschen de verschillende côteries in Amsterdam is wel wat minder geworden dan voorheen; vooral is de afscheiding op godsdienstig gebied verminderd. Vroeger was er een zekere spanning tusschen de families die nog zoowat tot het oude Réveil behoorden en de overigen die min of meer volgelingen der moderne predikanten waren. Nu is er algemeene toenadering gekomen. (...)

“Voor een deel heeft hiertoe bijgedragen de kerkelijke beweging van 1886, toen alle niet-Kuyperianen gemeenschappelijk tegen de Doleerenden hebben gestreden en alle ultra-predikanten uit de kerk zijn gegaan.” De Beaufort moet niets van de gereformeerden, en nog het minst van Kuyper, weten. Van die afkeer hoop ik later een paar staaltjes te geven.

In 1904 bezoekt hij Bazel en Frankfort, en dat geeft hem de volgende beschouwing in de pen:

“Wederom getroffen door het verschijnsel dat de weelde bij ons geheel anders zich voordoet dan in Duitschland en Zwitserland. De huizen zijn veel meer met kunstversieringen opgesmukt. Bij de Neufvilles (vrienden in Frankfort) zijn alle deuren ingelegd, voor een deel oud, voor een deel nieuw bijgewerkt. Het geheele huis is prachtig betimmerd - in 's-Gravenhage vindt men zulk een huis niet -, de kamers zijn evenwel klein.

“Ook te Basel bij den heer Köchlin, die een veel grooter huis bewoont met ruimer vertrekken, is veel versiering aangebracht. De eetzaal geheel in hout betimmerd, zooals in bijna alle Zwitsersche huizen van den eerste rang, de paneelen door schilders met zeer goede landschappen beschilderd.

“De bediening is daarentegen veel eenvoudiger dan bij ons, hoewel beide heeren eigen paarden, rijtuig en koetzier houden, hebben zij geen huisknecht. Aan tafel dienen de meiden; De Neufville verhaalde mij dat hij somtijds wanneer hij gasten had, zijn koetzier bij het tafeldienen gebruikte, maar hem daarvoor afzonderlijk betaalde.

“De loonen der dienstboden zijn trouwens in Duitschland veel hooger dan bij ons, bijna het dubbel - in Frankfurt althans. Zij arbeiden echter veel meer en veel langer. Bij ons in de groote huizen voeren de dienstboden weinig uit; het werk wordt door schoonmaaksters en helpsters verricht. (...) De Hollander is te lui en te langzaam, maar stelt zich dan ook met minder loon tevreden.”

Deze algemene opmerking lijkt niet helemaal te kloppen met de volgende: “Ook ziet men bij ons meer op kleinigheden: de rijtuigen moeten altijd glimmen van het vernis en van binnen mag er geen scheurtje of vlekje zijn op de bekleeding. Op dit alles ziet men niet zoo in Duitschland. Wij verspillen oneindig veel geld aan deze manie om alles geheel "in den haak' te hebben.”