In tijdrit van de Tour mogen de laatsten de eersten zijn

LAC DE MADINE, 13 JULI. Met zijn wapperende armen wuift hij zichzelf weg. En met zijn schichtige ogen smeekt hij toch vooral geen acht op hem te slaan. Hij is maar de rode-lantaarndrager. Nummer 171 in het klassement van de Tour de France. De minste aller renners.

Vergeef hem de grijns om zijn lippen. Hij grijnst altijd. Misschien vandaag iets meer dan anders, maar alleen zijn ouders in het Vlaamse Boezinge bij Ieper zouden het verschil kunnen merken. Want zij zien alles, zegt hij alsof hij over God spreekt. Weer grijnst hij. Misschien heeft die grijns hem nog nooit zo gepast als vandaag.

Vandaag was het zijn triomftocht. Vandaag is hij als eerste over de streep gekomen. Dat kan alleen in de tijdrit. De tijdrit spot met rang en orde. Alleen in de tijdrit mag de laatste eerste zijn.

Denk niet dat hij hovaardig is. Denk niet dat hij de vedetten hun verdiensten wil betwisten. Dat kan hij toch helemaal niet. Zo'n doordeweekse renner. En hij wil dat ook niet. Hij moet er niet aan denken. Hij zou maar beginnen te stotteren en te stumperen.

Liever rijdt hij in de schaduw van de groten. Nog liever: in de schaduw van de schaduw. Het liefst was hij onzichtbaar. De onzichtbare dienstbaarheid op wielen: Peter Farazijn.

Wielrennen is voor hem nooit gloriëren. Wielrennen verschilt voor hem in niets van het werk dat hij al als boerenzoon deed: door de vette Vlaamse klei ploegen. Zeulen, zwoegen. En dat je daaraan plezier kunt beleven, daar moet hij alleen maar om grijnzen. Bakerpraatjes. Genotzucht hebben ze hem bij zijn geboorte al afgeleerd. Je bent op aarde om te ploeteren.

Toch streelde het zijn ego dat hij vandaag in de tijdrit als eerste mocht starten. Zijn ego, dat hij al die jaren streng gesnoeid had tot er bijna niets meer over was. En dat hij moest vertrekken terwijl de favorieten nog op hun bed lagen, terwijl de televisie pas vier uur later in de lucht kwam, dat had hem allemaal niks uitgemaakt.

Eindelijk had hij niemand voor zich. Niemand voor wie hij voedsel moest halen. Niemand die hij een wiel moest afstaan. Niemand die hij uit de wind moest houden. Vandaag hoefde hij alleen maar voor zichzelf te zorgen. Hij had de weg voor zich alleen.

Hij had ook het publiek voor zich alleen. En al was het dan nog ochtend, de mensen stonden al rijen dik in de berm. Ze klapten, ze juichten, dat deden ze alleen voor hem, dat wist hij zeker. Andere dagen keerden de mensen al huiswaarts als hij langs kwam. Applaus was niet voor hem bestemd.

Pag 9: Ook de motoragent die de weg voor hem vrijhield, die was er alleen voor hem. Net zoals de materiaalwagen in zijn kielzog. Die hoefde hij met niemand te delen.

Niet zoals in de vijfde etappe van Avranches naar Evreux, toen hij minutenlang wanhopig op een volgauto stond te wachten. Met twaalf anderen, onder wie twee van zijn ploeggenoten, was hij tegen het asfalt gegaan. En al had hijzelf niets gemankeerd, de ketting was van zijn fiets gelopen en in de knoop geraakt met zijn versnellingsapparaat.

De ploeggenoten gingen voor natuurlijk. Tenslotte is hij pas 24, pas drie jaar prof, en Tour-debutant, en nieuweling in het Lotto-team. Maar toen de tweede volgauto helemaal van achter eindelijk een nieuwe fiets voor hem bracht, was hij moederziel alleen geweest. Hij had gevloekt en getierd. Was zijn Ronde nu al gedaan? Hoe kon hij in zijn eentje nou ooit nog op tijd de finish halen?

Maar hij was toch weer op zijn fiets gestapt. Met de moed van de ploeger. Nog 120 kilometer naar Evreux. Onderweg had hij nooit willen horen hoe ver hij achter lag.

Meer dan een half uur, bleek bij aankomst. Een grotere tijdsoverschrijding dan was toegestaan. Maar de organisatie was onbegrijpelijk toegeeflijk geweest. De volgende dag had hij toch weer mogen starten. Als laatste in het klassement.

Als eerste vertrok hij in de tijdrit. Maar dat betekende niet automatisch dat hij ook als eerste zou aankomen. De nummer een na laatst startte twee minuten na hem, de nummer twee na laatst twee keer twee minuten na hem, en zo verder. Hij had dus nog door hele hordes kunnen worden ingehaald, zoals hij altijd al door iedereen was ingehaald. Maar dit keer was dat toch zijn eer te na. Van Peter Farazijn die niet eens meer wist dat hij een eer bezat. En met een grijns kwam hij als eerste door de finish. De minste aller renners die eindelijk eerste was.

Toen Miguel Indurain vijf uur later in de gele trui werd gehesen, lag Farazijn al languit in zijn bed te dromen. Hij was in de tijdrit als 159ste geeindigd. Bijna 14 minuten achter Miguel Indurain, de winnaar. Maar nog altijd vier minuten voor Prudencio Indurain, de allerlaatste. Twee broers, dus loten van dezelfde stam. Zo klein kan in een tijdrit het verschil tussen de eerste en de laatste zijn.