Hoogleraar verweert zich tegen voorstel faculteit en kritisch proefschrift "Opheffing vertaalwetenschap absurd'

AMSTERDAM, 13 JULI. “Het enige voordeel van de kwestie is dat er eindelijk eens wat meer aandacht komt voor mijn vak,” zegt Kitty van Leuven-Zwart, hoogleraar vertaalwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. Haar vakgroep wordt bedreigd met opheffing nadat vorige week de faculteitsraad een voorstel hiertoe heeft aangenomen. Het wachten is nu op een definitief besluit na de zomer door het universiteitsbestuur en de universiteitsraad.

De hoogleraar noemt de argumenten voor de dreigende opheffing “absurd”. Van Leuven: “Door de decaan van de faculteit die nota bene hoogleraar argumentatietheorie is, werd ons verteld dat vertaalwetenschap niet past in het aangescherpte Europese profiel van de faculteit. En dat terwijl we hier vertalers afleveren in de Europese talen Engels, Frans, Duits en Spaans.”

Vertaalwetenschap is een relatief jonge loot aan de universitaire stam. De geschiedenis ervan begon in 1964, toen op initiatief van het Nederlands Genootschap van Vertalers het Instituut voor Vertaalkunde werd opgericht. Dit instituut ging in 1982 op in de afstudeerrichting Vertaalwetenschap van de Amsterdamse universiteit. De hispaniste Van Leuven was de eerste gepromoveerde in de vertaalwetenschap van Nederland; in 1987 werd ze tot hoogleraar in dit vak benoemd. Vertaalwetenschap was aanvankelijk een dure vakgroep, omdat volgens Van Leuven in de jaren zestig “busladingen wetenschappelijk medewerkers” werden aangesteld, maar inmiddels is het aantal formatieplaatsen teruggebracht tot 11,3.

De vakgroep is de enige in Nederland met een leerstoel vertaalwetenschap. In Groningen en Utrecht kunnen studenten het vak als specialisatie kiezen; in Maastricht is de Rijkshogeschool Opleiding voor Vertalers en Tolken, waar vooral voor het bedrijfsleven wordt opgeleid. Amsterdam heeft inmiddels vijf winnaars van de literaire Nijhoffprijs geleverd: Anneke Brassinga, Sjaak Commandeur, René Kurpershoek, Rien Verhoef en Frans van Woerden. De vakgroep telt nu ongeveer tweehonderd studenten. Na een propaedeuse in de vakken Engels, Frans, Duits of Spaans, besteden ze het grootste deel van hun studietijd aan vertalen; een vijfde deel is voor theorie bestemd. Doel van de opleiding is volgens Van Leuven vertalers af te leveren die niet alleen goed kunnen vertalen, maar ook gewend zijn op het vak te reflecteren. “Studenten moeten zich ervan bewust zijn dat je niet gewoon kunt vertalen wat er staat, want er staat nooit wat er staat.” Het onderzoek in de vertaalwetenschap staat nog in de kinderschoenen. Kitty van Leuven noemt als doel van het onderzoek onder meer het ontwikkelen van een effectieve en efficiënte methode om vertalers op te leiden. “De didactiek berust nu nog teveel op particuliere inzichten van docenten.”

Het toeval wil dat vorige maand het proefschrift Vertaalkunde versus vertaalwetenschap verscheen van Peter Verstegen, vertaler en docent aan de Amsterdamse vakgroep. Omdat hij in zijn boek zijn eigen hoogleraar Van Leuven aanvalt, week Verstegen voor zijn promotie uit naar de Open Universiteit in Heerlen. Verstegen, die bij Hans van de Bergh cum laude promoveerde, vindt Van Leuvens methode om oorspronkelijke teksten met vertalingen te vergelijken nodeloos ingewikkeld, "een ellenlange omweg', en bovendien gaat zij volgens hem uit van het aloude misverstand van het letterlijke vertalen. Hij stelt een eenvoudige vertaaltheorie op, en verder suggereert hij de naam vertaalwetenschap te vervangen door vertaalkunde.

Verstegen weet niet of zijn proefschrift van invloed is geweest op het voorlopige besluit tot opheffing van de vakgroep. “Dat was in elk geval niet de bedoeling,” zegt hij. “De vakgroep is een van de zeer weinige waar het aantal inschrijvingen niet daalt. Opheffing zou bizar zijn. Het zou vermoedelijk meer geld kosten dan opleveren. Het aantal studenten zou verminderen en daardoor zou de universiteit een evenredige portie geld mislopen, en bovendien moet de universiteit alle wachtgelden betalen. Laat ze liever eens bezuinigingen op het Maagdenhuis, waar de bestuurders elke twee jaar nieuwe reorganisatieplannen verzinnen. Verder zou je zeggen dat als iets in het Europese profiel van de universiteit past, het toch wel het vertaalonderwijs zou zijn.”

Verstegen vindt dat in de vertaalwetenschap veel “malle theorieën” opgeld doen en dat er ten onrechte veel onderzoek wordt gedaan naar welke strategieën een vertaler kan kiezen. Verstegen: “De enige juiste strategie voor een vertaler is de betekenis en de stilistische nuances zo goed mogelijk overbrengen. Alle andere strategieën komen neer op nodeloze bewerking, dus vervalsing en worden verboden door het auteursrecht. Overigens zou het goed zijn om naast de beperkingen die het auteursrecht stelt, uit te gaan van een ethische grondslag voor vertalers, die bepaalt dat vertalers net als historici hun bronnen niet mogen vervalsen.”

Kitty van Leuven-Zwart noemt de kritiek van Verstegen onjuist. “Vertaalkunde is een toegepast deel van de vertaalwetenchap. Het is dus onzinnig om vertaalkunde tegenover vertaalwetenschap te stellen. Interne geneeskunde wordt toch ook nooit tegenover de geneeskunde gesteld? Civiel recht wordt toch ook nooit tegenover het recht gesteld? Het maakt er deel van uit. Peter Verstegen is zo verblind door zijn oordelen over vertalingen, dat hij de noodzaak voor onderzoek niet kan inzien. Ik zoek naar verschuivingen tussen oorspronkelijke teksten en vertalingen. Ik schort mijn oordeel op.”