Euffffft!

“Zou dit het zijn?”

“Denk aan wat Hanneke zei: als je twijfelt is het het niet.”

“En als je twijfelt of je twijfelt?”

“Volle blaas, beknelde windjes, harde buiken, het lijkt heel wat, maar bij de Eerste Wee weet je beter.”

“Oh jee!”

“Laag ademen.”

“Oh jee!”

“Blijf hem voor.”

“Wauw! Wauw! Wauw-wauw-wauw-wauwwauwwauwwauw! Nou, dit zijn ze hoor. Geen twijfel aan.”

“Oh jee. Hallo iedereen! Het is begonnen!”

“Robert, doe dat raam dicht!”

“Dit moet gevierd.”

“Hou op Robert, bel het geboortecentrum.”

“Kijk eens aan: prenatale kribbigheid. De oxitocine doet haar werk. Nooit persoonlijk opvatten. Of, zoals de taxichauffeur zei: je voelt je een lul met vingers en je ken niks goed doen.”

“Wacht even André, ze hebben de ontsluiting gemeten, blijf aan de lijn. En?”

“Vier à vijf centimeter.”

“Hoor je dat André? Ruim vijf centimeter ontsluiting. Net was het nog vier! Ja nee, nu gaat het hard.”

“Schat, je eten wordt koud.”

“Haal dat alsjeblieft weg. En dat koffiekopje ook.”

“Welk koffiekopje?”

“Er staat hier ergens koffie. Doe weg.”

“Een sterk verhoogde gevoeligheid voor bepaald luchtjes. Schat, je werkt!”

“Doe dat kopje weg!”

“Locomotief! Locomotief! Locomotief! Locomotief! Locomotief!”

“Waarom zeg je locomotief?”

“Da's een puf-woord, vuile leugenaar!”

“Pardon?”

“Dat staat allemaal in Duik In Je Weeën. Dat zou jij lezen!”

“Eh...”

“Ooooooooh-jee, komt-ie weer.”

“Gaan we. Locomotief! Loco...”

“HU-HU-HU-huuft-huuft-huufthuuft-huuft-huuft-huuft-huuft-hu uft!”

“Waarom nu ineens huuft, in plaats van locomotief?”

“Ik weet niet, dit was een huuft-wee.”

“Toe Robert, haal in godsnaam dat koffiekopje weg.”

“Lieverd het spijt me, maar er is geen koffiekopje.”

“Ik ruik het!”

“Ik heb overal gezocht.”

“Ja, jij en zoeken.”

“Wauw-auw-auw-auw-auw! Dit is niet te doen. Dit is niet te doen, dit is niet te doen, dit is niet te doen, dit is niet te doen.”

“Puffen!”

“Aufft-aufft-aufft-aufft-aufft-aufft-aufft-aufft-aufft-aufft !”

“Waarom geen locomotief meer?”

“Ik weet niet. Je kunt zo'n woord maar een paar keer gebruiken, dan werkt het niet meer.”

“'ns kijken, een alternatief met hetzelfde ritme. Wat dacht je van Maragogype?”

“Ooowowowowowowo, komt-ie weer, oooowowowowowo...”

“Oké: Maragogype! Maragogype! Marago...”

“Hou op! Tropologie! Tropologie! Tropologie! Tropologie!”

“Maragogype niet goed?”

“Nee, die P aan het eind, daar ga je van persen.”

“Die komt er nooit meer uit. Die komt er nooit meer uit. Die komt er nooit meer uit.”

“Dat zeggen ze allemaal.”

“Die komt er nooit meer uit.”

“Terug kan niet meer.”

“Die komt er nooit meer uit.”

“Je zou de eerste zijn.”

“Weet je wat, we laten het gewoon zo. Die buik valt best mee en ze hebben hele leuke Grote Maten-mode tegenwoordig. Want echt: die komt er nooit meer uit.”

“Robert heb je die koffie nou nóg niet weggehaald?”

“Het kopje! Het...uuuuuuuuuuuuuuu-uuh! Nou ja! Schattekindepoepje, schattekindepoepje! Wat ben je mooi!”

“Een jongetje!”

“Ja hoor, een jongetje! Altijd al gedacht.”

“Fantastisch, een jongetje.”

“Eh, 't is een meisje hoor.”

“Ik heb een piemeltje gezien!”

“Waarschijnlijk was dat de navelstreng, komt vaker voor.”

“Verdomd, een meisje.”

“Een meisje!”

“Fantastisch, een meisje.”

“Een meisje. Altijd al gedacht.”

“Hier, een koffiekopje van drie dagen oud, staat in de boekenkast op de gang! Dat is toch niet te geloven?”

“Is dat koffie? Mag ik een slokje?”