"Bij de eindstreep druipt de ellende van die jongens af'

LAC DE MADINE, 13 JULI. Afgelopen zaterdagavond meldde Ad Rietveld, een van de topmanagers op het hoofdkantoor van WordPerfect in Amerika, zich voor een paar dagen in de Tour de France. De emigrant uit Nederland, die in september namens de multinational een sponsorcontract afsloot met de wielerploeg van Jan Raas, had zich een mooiere binnenkomer in la Grande Boucle voorgesteld. In de rit van zondag naar Verdun stapte Vanderaerden kotsend in de bezemwagen, hing Mulders kreunend en steunend in een achterblijfgroep en sukkelde een derde coureur van Raas, Van Hooydonck, machteloos als laatste over de eindstreep.

Raas zal het bezoek van Rietveld ongetwijfeld aangrijpen om over versterking van zijn formatie te praten, temeer daar de geldschieter wegens publicitaire belangen wil dat het team volgend jaar de Ronde van Italië aan het programma toevoegt. Raas heeft nu zestien renners in dienst. “Met het oog op de Giro moet de groep natuurlijk groter worden”, legt de Zeeuw uit. “Ik zou er best wat Italiaantjes bij willen hebben. Maar die gaan de grens niet over, op uitzonderingen als Zen, Sciandri, Pagnin, Giovannetti en Fondriest na. Het waarom is duidelijk: in een Italiaanse ploeg rijden ze zeventig à tachtig koersen per jaar, wij honderd à honderdtwintig. En dat voor hetzelfde salaris.”

De eerste Tourweek heeft onderstreept dat WordPerfect tekort komt. Raas zegt zich suf te hebben gepiekerd over de oorzaak. Is de voorbereiding niet goed geweest? Toch wel, concludeert hij, want de aanloop was precies eender als in de jaren dat de ploeg onder de naam Buckler wel aan de weg timmerde. Critici vragen zich af of Raas er goed aan deed de dertiger Vanderaerden, zo langzamerhand een eeuwige uitvaller, nog wel mee te nemen. “Toch een jongen met heel veel ervaring”, voert Raas aan, “heel belangrijk voor de ploeg. Dit jaar miste hij nèt de scherpte, acht of negen keer werd hij tweede. Ik had op een uitschieter gehoopt in de Tour, helaas, die is voor hem voorbij.”

De sprinters beheersten het eerste deel van de Tour, met Cipollini en Nelissen als hoofdrolspelers. Raas' snelste man Moncassin kwam niet in beeld. “Nijdam en Vanderaerden hebben hem een paar keer gelanceerd”, weet Raas nog, “maar hij is te licht bevonden.” Van de sprinter Nijdam is niet veel meer over. “Jelle heeft dat vlammende niet meer op de laatste kilometer. Hij was nooit een pur sang spurter. Hij deed het op macht. Nijdam mist de punch, of de snelheid ligt aan het einde hoger dan een paar jaar geleden. Ik denk dat dat laatste het geval is. Daar komt bij, dat er in het verleden altijd maar een paar treintjes waren. Die van Carrera, die van Van Poppel, die van ons. Nu zijn er wel zes, die alle een kans maken. Kijk maar naar de uitslagen. Het gevolg is dat er op de vlakke weg wel vijfenveertig renners zijn die het peloton bij elkaar willen houden om ten slotte hun snelle finisher uit te spelen. Het tempo ligt zo hoog, dat er niemand weg komt.”

Ooit waren Raas' renners de vrijbuiters, die op de meest onverwachte momenten toesloegen. Met demarrages als de eindstreep in zicht was. Nijdam en Maassen waren specialisten in dat werk. “Nijdam”, legt Raas uit, “is de laatste anderhalf jaar niet verbeterd. Ook omdat een groot succes uitbleef. Hij zit daar tegen aan te hikken. Jelle versleten of verzadigd? Daar geloof ik niets van en hetzelfde geldt voor Maassen. Ik weet wat ze voor hun beroep doen. Ze hebben nog steeds een geweldig eergevoel. Meerdere keren zijn ze met ontsnappingen mee geweest en ze baalden als een stier dat die niets opleverden. Weet je wat eraan mankeert? De rest van de ploeg zet hun arbeid niet voort, vult hen onvoldoende aan. Mulders draait bijvoorbeeld niet lekker, net als Runkel. Die zaten in de ploegentijdrit al na drie kilometer in de problemen en dat zegt genoeg. Verdienen de renners soms te veel? Heeft de gemakzucht soms toegeslagen? Ik kan het niet geloven als ik mijn mannen na een tegenvaller aan de streep zie staan. In tranen bijna. Dan druipt de ellende er af.”

Als het aan Raas lag, ging hij in zee met jonge talenten. Zoals vroeger. Hij wijst erop dat hij Maassen, Nijdam en Solleveld heeft opgeleid. “Ze begonnen met het minimumloon. Er dienen zich niet zo veel goede amateurs aan. Ik probeer wel wat. Michael Bogers en Leo van Bon gaan als stagiaires met ons mee naar de Ronde van de EG. Het is moeilijk hen een contract te geven. Omdat ze geen FICP-punten hebben. Die zijn broodnodig, wil de ploeg overal aan de start kunnen staan. Een sponsor als Buckler of WordPerfect, die een jaar of drie in dit circus meedraait, is niet genteresseerd om te investeren in een amateur. Dat kost hem toch honderd- à honderdtwintigduizend gulden in twee seizoenen. In Spanje of Italië, waar de geldschieters langer doorgaan, gebeurt dat wel.”

Raas houdt vol dat zijn sponsor tevreden is. Daarbij wijst hij op de dubbele etappewinst en de eindzege van Moncassin in de Tour de l'Oise - “publicitair van grote waarde” - de meer dan twintig triomfen van zijn team in andere kleinere wedstrijden en met name de zege van Alcala in de Amerikaanse Tour DuPont. “WordPerfect weet natuurlijk ook dat ik heb moeten improviseren. Toen het bedrijf met mij in zee ging was de keuze aan renners heel beperkt. En ik had een bescheiden budget. Ik heb Mottet gepolst, die wilde niet. Had niks met geld te maken, maar hij wilde meer Franse renners om zich heen. Toen kon ik Alcala strikken.” Nu de bergen eraan komen moet Alcala proberen het gezicht van de ploeg te redden. Gisteren was de Mexicaan bijzonder optimistisch na zijn achtste plaats in de tijdrit. “Ik mik op een plaats op het erepodium.” Raas is een stuk terughoudender. Hij herinnert zich dat Alcala aan de leiding ging in de Dauphiné Libéré, tot hij één dag verschrikkelijk door de mand viel.

“Ik weet niet”, stelt Raas, “hoe Alcala twee, drie bergritten achter elkaar verteert. Ik hoop dat hij zich een paar dagen kan opwerpen als de echte leider van ons team. Daar hebben de middelmatige renners behoefte aan, die kunnen dan ineens ook véél meer. En wie weet kunnen Maassen en Nijdam dan nog iets moois laten zien. Tussen de Alpen en de Pyreneeën bijvoorbeeld.” Dat zou een welkome oppepper zijn voor de tot nu toe teleurstellende Tourformatie.