Belastingparadijs Nederland

In doorsnee reageren Nederlanders met onbegrip, wanneer zij horen dat ons land in gespecialiseerde publikaties als belastingparadijs ("tax haven') te boek staat. De overgrote meerderheid van de vaderlandse belastingbetalers zucht onder zware lasten. De minimumloner is van zijn bruto inkomen van 28.000 gulden al bijna een derde kwijt aan loonbelasting en - bovenal - aan premies voor de sociale verzekeringen. Hoezo, belastingparadijs?

Voor het internationale bedrijfsleven ziet de fiscale werkelijkheid achter de dijken er echter heel anders uit. Nederland vormt vaak een nuttige schakel bij wereldwijde operaties die zijn gericht op belastingbesparing.

Indien een in Nederland gevestigde vennootschap ten minste vijf procent bezit van de aandelen in binnen- en buitenlandse werkmaatschappijen, blijven de van die dochters ontvangen dividenden en winsten bij de Nederlandse moedermaatschappij onder bepaalde voorwaarden onbelast. Dank zij deze deelnemingsvrijstelling is ons land in beginsel erg geschikt om er een holding te vestigen, die de winsten van een aantal buitenlandse werkmaatschappijen belastingvrij verzamelt. Op het eerste oog is er echter een probleem. Andere landen houden vaak op dividend, rente en royalty's bij overmaking naar het buitenland 25 tot 35 procent belasting in (de zg. bronheffing).

Het tweede argument om een holding in Nederland te vestigen is dat ons land een uitgebreid netwerk van meer dan vijftig internationale belastingverdragen heeft gesloten. In die verdragen is geregeld dat andere landen geen of veel minder bronbelasting inhouden als dividend, rente en royalty's naar Nederland worden betaald. Dit maakt ons land ook bij uitstek geschikt als vestigingsplaats voor financieringsmaatschappijen en vennootschappen die filmrechten, licenties en dergelijke exploiteren. Nederland is mede een van de grootste investeerders in de Verenigde Staten, omdat Japanse multinationals hun activiteiten daarginds ontplooien met behulp van in ons land gevestigde financieringsmaatschappijen.

Daar komt bij dat Nederland geen bronbelasting kent op aan het buitenland overgemaakte rente en royalty's. Op dividendbetalingen wordt wel bronbelasting ingehouden, in de vorm van 25 procent dividendbelasting. Veelal is echter op grond van belastingverdragen een lager of zelfs het nultarief van toepassing.

Door deelnemingsvrijstelling en belastingverdragen grijpen andere belastingadministraties naast de bronbelasting. Bij internationaal overleg staat ons land dan ook bloot aan toenemende druk om een dam op te werpen tegen deze massale "tax routing' van kapitaal en kapitaalopbrengsten.

Tot nu toe was weinig bekend over de omvang van de activiteiten van de hierbij betrokken Bijzondere Financiële Instellingen (BFI's), die hun financiële middelen vrijwel volledig buiten Nederland opnemen en deze ook weer geheel buiten Nederland uitzetten. De transacties zijn echter wel bekend bij de Nederlandsche Bank. Het zojuist verschenen kwartaalverslag van de Bank (1993/1) bevat een informatief artikel, dat voor het eerst harde cijfers geeft over de betekenis van ons land als belastingparadijs. Mocht deze informatie buitenlandse overheden bereiken, dan kan dit de onderhandelingspositie van het ministerie van Financiën in de toekomst aanzienlijk bemoeilijken.

Uit cijfers van de Bank blijkt dat in 1991 hier te lande bijna zevenduizend BFI's waren gevestigd. In de loop van de jaren tachtig sloten zij gemiddeld voor 68 miljard gulden per jaar aan transacties met het buitenland af. Voor ongeveer 17 miljard gulden ging het om betalingen van rente, dividenden en royalty's. Buitenlandse belastingdiensten zullen ongeveer een kwart van dit bedrag aan diverse bronheffingen zijn misgelopen. Het resterende deel, ter waarde van gemiddeld 51 miljard gulden, betrof directe investeringen, effectenverkeer en leningen buiten concernverband.

Onze economie profiteert in verschillende opzichten van de hand- en spandiensten verleend aan internationale belastingontwijkers. De directe bijdrage van BFI's aan de Nederlandse economie bestaat uit enige duizenden hoogwaardige arbeidsplaatsen voor accountants, fiscale en juridische advseurs. In 1990 ging het om bijna driehonderd miljoen omzet. Bovendien dragen BFI's circa een half miljard gulden per jaar aan de schatkist af in de vorm van vennootschaps-, kapitaal- en dividendbelasting. Het is een interessant moreel dilemma voor minister Kok: in hoeverre mag hij de rijksuitgaven financieren met opbrengsten afkomstig van buitenlandse belastingvluchtelingen?