Zestig ”giganten' in optocht door de Utrechtse binnenstad; De reus maakt een ”come-back'

UTRECHT, 12 JULI. “Vlaanderen is een land van stoeten, hè.” Voor Jan Hesquiere, ambtenaar bij de Westvlaamse gemeente Poperinge, is een optocht met reuzen een routine-kwestie. Het behoort tot zijn werk om op stap te gaan met Cyrus, de 5,60 meter hoge gemeentereus van Poperinge. Er is altijd wel ergens een optocht. “Bij ons heeft ieder dorp en gehucht wel een reus.”

Hesquiere liep zaterdagmiddag met zijn ”promotie-pop' mee in een reuzenoptocht in de Utrechtse binnenstad. Een zestigtal giganten, afkomstig uit Zuid-Nederland en België, was verschenen om het veertigjarig bestaan van de Stichting Stadsontspanning Utrecht te vieren. De stoet, waarin ook de Utrechtse reuzen Maarten en Katrijn meeliepen, eindigde op de Maliebaan, temidden van de Piekenkermis. Voor Vlaamse reuzen is dat een vertrouwde ambiance.

Volgens Hesquiere maakt de reus een ”come-back'. “De folklore slijt niet, integendeel. We zijn jaren niet op de baan geweest, maar vooral de laatste jaren worden we veel in Nederland gevraagd.” Het vrijzinnige Leiden en Amsterdam kenden reeds massale reuzenoptochten, maar vooralsnog floreert het fenomeen beneden de rivieren. Corné Remi van Kurken heeft al een lange staat van dienst als ”drager' bij het reuzengilde uit het Belgische Kruishoutem en hij kan zich nog levendig herinneren dat in het begin van de jaren vijftig in het Overijsselse Kampen een optocht werd afgelast. “De mensen waren er tegen”, zegt hij, nog verbaasd. “Ze vonden die afbeeldingen duivels.”

Het is begrijpelijk dat de reus, in de mythologie nu eenmaal een tegenstander van de goden, moeilijk ligt in het noorden. Vroeger werden processies vaak opgeluisterd door reuzenpoppen, die meestal een schutspatroon of een mythische figuur uitbeeldden. Maar van Cyrus uit Poperinge is de functie altijd onduidelijk gebleven. Men weet alleen dat hij een Perzische vorst moet voorstellen en in de zeventiende eeuw in allerlei processies meeliep, totdat de bisschop van Ieper het in 1715 verbood.

In Roermond hebben ze de grootste reus van Nederland en “een van de grootste rondtrekkende reuzen in Europa”, zo beweert het ”Remunsje Reuzegilde'. ”Stjuf'meet bijna zes meter en staat model voor St. Christoffel, de patroonheilige van de stad. Van hem is bekend dat hij al in de vroege Middeleeuwen bij plechtigheden verscheen. De Franse Revolutie maakte een einde aan de folklore.

Utrecht bouwde in 1981, na lang aandringen van een Zuidnederlandse immigrant, kopieën van de schutspatroon St. Maarten en de eerste Utrechtse feministe, Katrijn van de Leemput. Onder aanvoering van Katrijn werd in 1577 de Spaanse burcht op het Vredenburg gesloopt. Utrecht werd met dit tweetal de eerste stad boven de rivieren met eigen reuzen, maar tot nutoe zijn de poppen nog slechts sporadisch opgetreden.

De inwoners van het Belgische Kruishoutem zochten hun inspiratie in de tegenwoordige tijd. In 1952 besloten ze voortaan iedere honderdjarige met een reuzenafbeelding te eren. Maar na vijf poppen zijn ze daar toch maar mee gestopt, want “er worden tegenwoordig te veel mensen honderd”, aldus Van Kurken.

Het sjouwen met reuzen is meestal vrijwilligerswerk. Het gaat om de kick, maar er moet wel gewerkt worden. Een beetje reus weegt al gauw zeventig kilo, zodat een drager het slechts een kwartier in het geraamte uithoudt; daarna moet hij worden afgelost. Alleen echte kanjers, zoals ”Stjuf” uit Roermond die 250 kilo weegt, lopen op wieltjes, maar het nadeel is dat dan de cadans verloren gaat.

Het blijft een serieuze zaak, bevestigt René d'Huyvette. De 74-jarige oud-gemeentesecretaris van Kruishoutem heeft zelf nooit een reus hoeven dragen. “Ik heb de mensen léren dragen. Je mag niet te veel schommelen, hè.” Zelfbeheersing is geboden, al was het maar om plotselinge windvlagen op te vangen. “Ze mogen niet drinken”, zegt D'Huyvette beslist. “Direct mogen ze wel. De wagen staat nog vol.”