Tropenmuseum toont in potten gevonden schatten van Canadese verzamelaar; Onbekende gouden sieraden uit Java

Tentoonstelling: Eeuwige schoonheid: sieraden van oud-Javaans goud 4de-15de eeuw. T/m 2 jan. in het Tropenmuseum, Linnaeusstraat 2, Amsterdam.

Tot vervelens toe heeft de Canadese beleggingsadviseur en collectioneur Hunter Thompson aan Noord-Amerikaanse musea zijn verzameling antieke Javaanse sieraden aangeboden voor een tentoonstelling. Hoe beeldschoon de gouden voorwerpen ook zijn, zij wisten zich er geen raad mee: Java, waar ligt dat? “Ik realiseerde me,” zegt Thompson, “dat ik de meeste belangstelling kon verwachten in een land dat een verbintenis heeft met Indonesië: Nederland, natuurlijk.”

Het Tropenmuseum reageerde direct enthousiast op dit zeldzame aanbod van een particulier. Na twee jaar voorbereiding worden nu zijn vijfhonderd gouden objecten, voornamelijk sieraden, uit midden- en oost-Java uit de vierde tot de vijftiende eeuw voor het eerst aan het publiek getoond.

Het goud zelf kwam uit Sumatra en Kalimantan, maar het waren Javaanse edelsmeden die het tot allerlei soorten sieraden verwerkten: ringen, armbanden voor boven- en onderarm, getrokken, gehamerde en gegoten oorringen, halskettingen van eenvoudige kralen of van bladgoud verwerkt in de vorm van tijgerklauwen. Maar er zijn ook sierstukken van een kastekoord, kralen, munten en de tuit van een waterkan in de vorm van een springend roofdier. Tot de rituele voorwerpen behoren een zeer indrukwekkend masker, een paar prachtige godenbeeldjes en grafgiften, platte plaatjes die bij de dode op de openingen in het gezicht werden gelegd om te voorkomen dat de ziel zou gaan dwalen.

Eén vitrine bevat "tempeldepots', uit bladgoud gesneden figuurtjes - goden, maar ook buffels, slangen, schildpadden of kemphanen - die samen met aarde en edelstenen in een stenen doos met negen vakken in de fundamenten van de tempel werden begraven, diep onder het hoofdbeeld.

Voor de inrichting heeft het Tropenmuseum zich gewend tot de ontwerper van hedendaagse sieraden Hans Appenzeller. Zijn specifieke expertise als maker, maar ook als inrichter van zijn eigen zaak heeft vruchten afgeworpen. Niet alleen beheerst hij de techniek van het etaleren, vooral weet hij een sfeer van intimiteit en concentratie te scheppen waarin deze vaak piepkleine objecten ondanks hun grote aantallen tot hun recht komen. Ze liggen nu, naar maat en soort gegroepeerd, in driehoekige vitrines op felgroene sawa's - een nogal voor de hand liggend maar wel effectief stijlmiddel - tegen een achtergrond van foto's van de Borobudur-reliëfs.

De Javaanse juwelen zijn het derde verzamelgebied waarop Thompson zich begeeft. “In de jaren zestig verdiepte ik me in de kunst van de Canadese Eskimo's. Maar ik ben zo'n vijf maanden per jaar voor mijn werk op reis, vaak in Zuidoost-Azië, en daar raakte ik in de ban van het Indonesische textiel. Begin jaren tachtig werd dat moeilijker omdat er bijna geen bijzonder textiel meer op de markt kwam. Een handelaar die ik goed kende, had zich daarom al toegelegd op deze sieraden. De eerste keer dat ik zijn verzameling zag, ging er een schok door me heen: wat een schoonheid! Dat is de kiem van mijn eigen collectie geworden.” Bij zijn weten heeft hij op dit uiterst specialistische gebied twee concurrenten: een andere particulier, van wie hij niet eens de nationaliteit wil onthullen, en het nationale museum van Indonesië.

Thompsons collectie is even uniek is als bizar, want van de herkomst van al deze objecten is nauwelijks iets bekend. Ze zijn niet bij archeologische opgravingen te voorschijn gekomen, maar zijn bijna allemaal door boeren gevonden in potten in de velden, waar ze kennelijk in tijden van rampspoed werden verstopt. Van sommige objecten is niet eens bekend waar ze precies voor dienden.

Thompson hoopt dat de tentoonstelling de belangstelling voor deze verloren cultuur zal aanwakkeren. Het Tropenmuseum is begonnen door de collectie te onderwerpen aan een technisch en chemisch onderzoek bij het Rathgen-Forschungslabor in Berlijn. En tot vreugde van de eigenaar is bij de opening in Amsterdam voor het eerst een wetenschappelijk seminar eraan gewijd. Tegelijkertijd is hij gevoelig voor de mysterie die eromheen hangt. “Het is toch een fascinerend idee, dat deze miniscule objecten van edelmetaal - juist de intieme objecten die ze bij hun doden legden en zelf aan hun lichaam droegen - de enige tastbare overblijfselen zijn van elf eeuwen cultuur?” Als ik aan Thompson vraag of hij de plaatsen van herkomst van zijn collectie heeft bezocht, kan hij dan ook alleen zijn schouders ophalen en zeggen: “Ik neem aan van wel. Maar ik zal het nooit zeker weten.”