Postscriptum in Tokio

HET SUSHI-AKKOORD tussen president Clinton en premier Miyazawa werd bereikt nadat de Tokiose conferentie van de leiders van de G-7 al was afgelopen.

Aanleiding voor de overeenkomst is dat Japan meer aan de wereld verkoopt dan het ervan afneemt. Als volgens de nu gemaakte afspraak het zogenoemde handelsoverschot wordt verminderd - door minder Japanse verkoop en meer Japanse aankoop - leidt dat tot het scheppen van banen bij Japans handelspartners. Althans dat leren de verschillende in omloop zijnde economische modellen. Of de constructie een toonbeeld is van vrijhandel of juist van "managed trade' is, gezien de afwezigheid in het akkoord van cijfermatige details, niet uit te maken.

De overeenkomst is van Amerikaanse kant voorgesteld als een succes en als de vrucht van Amerika's tegemoetkomendheid: de VS accepteerden de Japanse weigering specifieke taakstellingen in de overeenkomst op te nemen en zij bleken hun dreigementen met sancties te hebben thuisgelaten. Beide partijen zijn dus vrij om de uitkomst naar eigen inzicht te interpreteren. Een vervolgconferentie zal dan ook waarschijnlijk niet kunnen worden ontbeerd wil de nieuwe consensus voor de toekomst behouden blijven. Tot dusver zijn dit soort afspraken tussen Japan en Amerika immers niet veel meer geweest dan voeding voor de publiciteit.

DE "DEAL' TUSSEN Clinton en Myazawa werpt een vreemd licht op het mechaniek en de betekenis van de G-7. Wat was logischer geweest dan dat de Japanse toezeggingen ten overstaan van deze groep van zogenoemd rijkste landen waren gedaan? Tenslotte ondervinden Canada en de vier Europese deelnemers alsmede de vele niet-aanwezige landen de gevolgen van het Japanse mercantilisme evenzeer als de Verenigde Staten. De mededeling dat de overige handelspartners zullen profiteren van het Japans-Amerikaanse vergelijk stemt misschien hoopvol, maar zij kan toch niet verhullen dat niet de samenspraak maar het blokdenken uiteindelijk de agenda heeft bepaald.

Dat geeft te denken voor de toekomst van de G-7 alsmede voor de twee topconferenties die Clinton in het voorbijgaan heeft aangekondigd: een over de werkgelegenheid en een van de landen rondom de Pacific. Langzamerhand kan niet meer worden volgehouden dat de nieuwe Amerikaanse president geen internationaal programma zou hebben. Zijn doelstellingen zijn betrekkelijk traditioneel, evenals de keuze van zijn instrumenten. Maar zijn geldingsdrang is nieuw. De partners, zeker de Europese, zullen hun in Tokio gesublimeerde passiviteit moeten afleggen willen zij in Washington alsnog ernstig worden genomen. De jongste topconferentie van de G-7 en haar postscriptum dienen ten minste tot die conclusie te leiden.