JAAP MEIJER 1912 - 1993; Mythes ontmaskerd

De stem van het Nederlandse jodendom is verstomd: dr. Jaap Meijer is niet meer. Zijn levensweg die op 18 november 1912 in Winschoten een aanvang nam en over Amsterdam, Bergen-Belsen, Paramaribo naar een decennia lang kluizenaarsleven van ongekende produktiviteit in Heemstede leidde, nam daar afgelopen vrijdag een einde. Een hem bij zijn 70-ste verjaardag door vakgenoten, leerlingen en vrienden uit binnen- en buitenland aangeboden liber amicorum onder de titel Neveh Ya'akov (Van Gorkum, Assen 1982) bevat een bibliografie van zijn oeuvre van 262 titels, die in de sindsdien verstreken 12 jaar, met vele nummers kan worden aangevuld, waaronder volumineuze boeken.

Het leven en werk van dr. Jaap Meijer wordt gekenmerkt door de spanning tussen twee culturen, door mij eens (Nieuwe Stem, 1967) met betrekking tot de joods-Romeinse historicus Flavius Josephus, het Josephus-complex genoemd. In het geval van Jaap Meijer gaat het dan om de spanning tussen de joodse en de Nederlandse cultuur. Waar aan de ene kant zo een spanning de negatieve associatie met 'gespletenheid' moge oproepen, is zij aan de andere kant juist een waarborg voor een trefzekere doorlichting van beide werelden. Dat geldt echter alleen in die gevallen waarin de persoon in kwestie in staat is tot het merg van beide culturen door te dringen, anders is het resultaat vervlakking en assimilatie.

Jaap Meijer, die zijn joodse vorming ontving op het orthodoxe Nederlands Israelitisch Seminarium in Amsterdam en zijn algemeen wetenschappelijke vorming aan de 'rode' Universiteit van Amsterdam, heeft met dat Josephus-gevoel de geschiedschrijving van het Nederlandse Jodendom tot ongeëvenaarde hoogte gebracht. Op beide cultuurgebieden erudiet, was hij in staat beide met grote warmte én bijtende kritiek te analyseren. Drie trekken vallen daarbij op: de minutieuze aandacht voor figuren in de marge, zoals met zijn proefschrift (bij Jan Romein) over Isaac da Costa's weg naar het christendom (1941), zijn monografie over J.K. Rensburg: Een Joodse Graalzoeker (1976), of Ventende Profeet: Het Joodse dichterschap van A. van Collem (1980) en telkens opnieuw de tragische figuur van Jacob Israel de Haan, o.a. in de lijvige monografie Zoon van een Gazzen (1967). Dit soort portretten verscheen meestal in zijn serie "Diasporade'.

Daartegenover was hij een meester in - tweede trek - het uitzetten van grote ontwikkelingslijnen, zoals in zijn superbe Tussen Götterdämmerung en Morgenrood: Beschouwingen over Joden in Nederland omstreeks 1900, waarmee hij in 1951 zijn privaatdocentschap aan de Universiteit van Amsterdam aanvaardde, en later in zijn in 1981 begonnen serie "Balans der Ballingschap' met titels als Tussen Verstrooiing en Verlichting en Tussen Emancipatie en Deportatie.

De derde trek van zijn oeuvre is ontmythologisering. Bijvoorbeeld de mythe van het joodse proletariaat, dat in wezen, hoe straatarm ook, bestond uit kleine zelfstandigen, venters en marktlui, de mythe van de rijke, aristocratische Portugezen en de mythe van Anne Frank (die hij in zijn klas had, met zo vele Anne Franks, zoals hij zei) en van Etty Hillesum. Tegenover die laatste mythe publiceerde hij in 1992 twee deeltjes over dr. Levie Hillesum, de vader van Etty.

Ook de mythe van het tolerante, antisemitismevrije Nederland heeft hij ontmaskerd met een aantal studies over het beeld van de jood in de Nederlandse literatuur en met zijn studie over de doorgaans als bijna heilige afgeschilderde Van Koetsveld, onder de titel Discriminatie in Domineesland. Ook toonde hij aan dat de Februaristaking plaats vond toen de eerste niet-joodse mannen werden opgepakt en het joodse proletariaat al geheel door Nederlandse treinen was gedeporteerd. Dezelfde ontmaskerende kritiek onderging het Nederlandse jodendom in Meijers analyses, o.a. zijn Van Israëliten tot Israëliërs (1965), Hoge hoeden, lage standaarden (1969) en zijn publikaties over het Nederlands Israelitisch Seminarium en zijn Rector Opperrabbijn Dünner, in de serie "Erfenis der Emancipatie' (1963).

Het was echter juist deze kritiek die duidelijk moest maken hoe fataal het Nederlandse jodendom gesoleerd geraakt was van de warme levensstroom der grotere joodse wereld en die, voor wie wilde luisteren, de weg daarheen terug had kunnen wijzen. Onder het pseudoniem Saul van Messel publiceerde hij vanaf 1971 gedichten in het Hebreeuws en het Nederlands, onder andere ter nagedachtenis van zijn vriend prof. Marc Rozelaar het bundeltje Ik doe de dag op het nachtslot (1991) en Nederlandse dichters in het Hebreeuws vertaald onder de titel Al admat nechar (Op vreemde grond, 1990). Morgen wordt hij in "vreemde grond' begraven en daarmee gaat het gebouw dat hij met zijn geschiedschrijving van het Nederlandse jodendom oprichtte definitief op het nachtslot.