Instrument voor renners zonder zelfbeheersing

LAC DE MADINE, 12 JULI. Een tijdrit in de Tour de France is tegenwoordig niet alleen een race tegen het uurwerk maar ook een wedstrijd met de hartslagmeter. Acht van de twintig ploegen gebruiken hartslagmeters. Daaronder bijna alle Italiaanse en Spaanse formaties, zoals Carrera, GB-MG en Banesto.

Giovanni Grazzi, ploegarts van Carrera, zegt dat de hartslagmeter zijn renners helpt om hun krachten beter te verdelen. Maar het grootst vindt hij het nut bij de trainingsopbouw. Ongevraagde steun krijgt hij van Hennie Kuiper. De ploegleider van de Amerikaanse Motorola-ploeg noemt de hartslagmeter “een geweldig, bijna onmisbaar hulpinstrument”.

Andere ploegen blijven sceptisch, inclusief alle partieel of volledig Nederlandse teams. Walter Planckaert, ploegleider van Histor-Laser spreekt denigrerend over “de terreur van de fietscomputerkes”. Ook WordPerfect doet “aan die flauwekul niet mee”, meldt de Vlaamse renner Edwig van Hooydonck. Net zomin als de zwoegers van TVM.

Erik Breukink, kopman van de Spaanse Once-ploeg, heeft vandaag wel gereden met een hartslagmeter, maar tijdens de race heeft hij er niet op gekeken. Achteraf wil hij wel weten hoe diep hij is gegaan en hoe zijn hartfrequentie zich onderweg heeft ontwikkeld. Maar tijdens de wedstrijd, zegt hij, “vertrouw ik toch het liefst op mijn gevoel”.

Hetzelfde geldt voor Olaf Ludwig, kopman van de Duitse Telekom-equipe. “Een hartslagmeter is voor mensen die zichzelf niet goed kunnen inschatten, voor mensen die zichzelf niet goed in de hand kunnen houden in de wedstrijd. Ik gebruik dat apparaat alleen in de training. Dat bevalt me het best.”

Kijkers naar de tijdrit kunnen onmogelijk zien wie wel of niet met hartslagmeter rijdt. De borstband met ingebouwde zender blijft discreet verborgen onder het fietsshirt. En de draadloze ontvanger op het stuur onderscheidt zich in niets van de gebruikelijke fietscomputertjes. Alleen de renner zelf ziet elke 15 of 30 seconden zijn hartslag opflitsen op het schermpje van vloeibaar kristal.

Die hartslag op zich zegt niets. Ze is alleen van belang als je weet bij welke hartfrequentie je anaerobe drempel overschreden wordt. Dat is namelijk het punt waarop je lichaam aan de zuurstof in het bloed niet meer genoeg heeft om de energievoorraad volledig te verbranden. Passeer je die drempel, dan treedt in de spieren een chemische reactie op, waarbij melkzuur vrijkomt, die tot de onvermijdelijke "verzuring' en "zware benen' leidt. Een renner kan dat volgens Max Testa, de ploegarts van Motorola, zo'n 15 tot 30 minuten volhouden, maar daarna komt hij niet meer vooruit. Hij “blaast zichzelf op”.

In theorie ligt de anaerobe drempel vijftien procent onder de maximum hartslag. Ook weer in theorie kun je die maximum hartslag simpelweg bepalen door 220 met je leeftijd te verminderen. Breukinks maximum hartslag zou dan schommelen rond de 190. Zijn anaerobe drempel zou al bij een pols van 162 zijn bereikt. In werkelijkheid ligt zijn grens bij een hartslag van 185 tot 190.

Goedgetrainde topatleten houden zich nu eenmaal niet aan theorie. Voor hen is een speciale test ontwikkeld door de Italiaanse professor Conconi, in 1984 begeleider van Francesco Moser toen die in Mexico het werelduurrecord van Eddy Merckx verbeterde. Op basis van hartslag en snelheid kan zo ook bij wielrenners de anaerobe drempel worden vastgesteld.

Dat is in de de eerste plaats belangrijk voor de training, zegt Giovanni Grazzi, ploegarts van Carrera en rechterhand van Conconi. Want voor een goede opbouw moet afwisselend worden getraind op drie procent onder de hartfrequentie waarop de anaerobe drempel gepasseerd wordt, op tien procent daaronder, en op vijftien tot twintig procent onder dat fatale omslagpunt. Bij de juiste mix kan de anaerobe drempel, en dus het uithoudingsvermogen en de snelheid, nog verder worden verhoogd. Tot meer dan negentig procent van de maximum hartslag.

Renners als Miguel Indurain, Claudio Chiappucci en Tony Rominger zweren bij deze wetenschappelijke aanpak, die door het gebruik van de hartslagmeter wordt mogelijk gemaakt. Nadat Indurains ploegleider Echavarri in 1984 voor het eerst in contact was gekomen met Michele Ferrari, destijds assistent van Conconi, zocht hij onmiddellijk steun bij José Calabuig, cardioloog aan het academisch ziekenhuis van Navarra. Samen maakten ze een loopbaanplan voor Indurain, gebaseerd op de veelbelovende klop van zijn hart. Drie jaar geleden haalde Echevarri ook nog de sportarts Sabino Padillo in zijn ploeg, die zijn sporen in de atletiek al ruimschoots verdiend had. Padillo geldt als een expert in de medische meet- en regeltechniek.

En Rominger heeft zich bij zijn voorbereiding op de Tour in het Amerikaanse Colorado laten vergezellen door Michele Ferrari, die ook nog eens zo'n twintig andere coureurs tot zijn clièntele telt. Na afloop van elke trainingsrit verbond de Zwitser zijn hartslagmeter met de schootcomputer van Ferrari. Gezamelijk tuurden ze dan naar de grafiek, die meedogenloos aangaf waar Rominger te hard en waar hij te zacht gereden had.

Harm Kuipers, arts en inspanningsfysioloog aan de Rijksuniversiteit van Limburg, noemt de hartslagmeter nuttig als controle-instrument bij de training. Hij zegt dat het apparaat ook als waarschuwingssignaal kan dienen “voor renners die de neiging hebben om als een idioot van start te gaan”. Bij een tijdrit van veertig tot zestig minuten mag de hartslag schommelen rond de anaerobe drempel. Bij een langere tijdrit, zoals die van vandaag over 59 kilometer, moet de hartfrequentie drie tot vijf slagen lager blijven. Behalve in de laatste tien kilometer als een renner tot het uiterste kan gaan.

Al moet hij daarvoor misschien de volgende dagen alsnog de tol betalen. Kuipers zou het interessant vinden om ook 's nachts te meten omdat het niveau van de hartslag dan als een maat geldt voor het herstel van de coureur. Op basis daarvan zouden ploegenafspraken kunnen worden of alvast een ticket naar huis worden gekocht.

Paul van der Weiden, directeur van Support, de Nederlandse importeur van Polar hartslagmeters, zegt dat het belang van de apparaatjes niet moet worden overdreven. “Het is hulpmiddel. Niet meer, maar zeker ook niet minder. En het is geen toeval dat de teams die er gebruik van maken de laatste jaren zo succesvol zijn.”