Hoop gloort voor liefhebbers van baanwielrennen

ALKMAAR, 12 JULI. De prijs en de kwaliteit van de consumpties in de kantine van het organiserende Alcmaria Victrix in Alkmaar waren eigenlijk het enige bij het Nederlandse kampioenschap baanwielrennen dat nog enigszins deed terugdenken aan het rijke verleden van deze illustere sport. De glorietijden van de jaren vijftig en zestig. Toen het baanwielrennen in Nederland nog puur volksvermaak was en mannen als Jan Derksen, Arie van Vliet en Peter Post tienduizenden toeschouwers naar het Olympisch Stadion trokken.

In Alkmaar was dat de afgelopen drie dagen plaats genoeg, want het Nederlands kampioenschap in het gezellige wielerstadionnetje aan de Terborchlaan trok slechts een handjevol belangstellenden, voor een groot deel vrienden of familie van renners. Begrijpelijk, want waar kampioenen wegblijven ontbreekt ook het volk. Van de zeven nationale kampioenen van vorig jaar ontbraken er vier. Alleen wereldkampioen puntenkoers Ingrid Haringa (“Ik rijd niet voor het publiek, alleen voor mezelf”), Nederlands kampioen op de kilometer-tijdrit Dirk-Jan van Hameren en stayer-titelhouder Marco van Baarle waren present.

Het mannentoernooi bood weinig interessante krachtmetingen. Marco Verweij werd de nieuwe kampioen op de achtervolging en in de klassementskoers. Van Baarle continueerde zijn stayertitel. Bij de vrouwen was het Ingrid Haringa die op de sprint en in het klassement haar kampioenschap prolongeerde. Bij de achtervolging moest de 29-jarige politieagente net als vorig jaar toen Leontien van Moorsel won, genoegen nemen met de tweede plaats. De 18-jarige Maria Jongeling achterhaalde Haringa in tien ronden.

Maar hoe goed de prestatie van Jongeling ook was, Leontien van Moorsel, Leon van Bon en Servaes Knaven, renners wier namen pontificaal prijkten op het affiche dat het organisatiecomité had verspreid, bleven weg. Hetzelfde gold voor John den Braber en René Vink. Criteriums met aanlokkelijke geldprijzen deden de nationale toppers van 1992 naar andere oorden afreizen. Vandaar de boosheid in Alkmaar. “Een onacceptabele devaluering van het NK”, is de mening van organisatievoorzitter Simon Meijn. “Vooral omdat de niet-deelnemers volgende maand wel mogen starten op het baanwereldkampioenschap in het Noorse Hamar. Je mag je inderdaad afvragen wat nog de waarde is van deze titelstrijd.” Meijn vindt dat de afwezige toppers gepasseerd zouden moeten worden voor het WK. “Luister, sportief gezien ben ik tegen, maar als organisatie denk ik dat het goed is.”

In het eerste jaar van het KNWU-integratieplan tussen baan en weg, komt van samenwerking tussen beide onderdelen weinig terecht. De opzet van het project is dat meer toppers van de weg naar de baan komen. Bij sprintonderdelen ligt dat wat moeilijker. De mooie woorden in het door hemzelf mede tot stand gebrachte integratieplan ten spijt, geeft Piet Hoekstra, bondscoach voor de wegrenners, prioriteit aan het opbouwen van zijn wegploeg.

Zijn baan-collega Eric Geserick heeft hier alle begrip voor. “Hoekstra moet in dit post-olympisch jaar een nieuwe ploeg opbouwen en verdient alle steun. Hij moet scoren anders ligt hij eruit. Plan of niet.”

De tragiek van Geserick is dat het baanwielrennen de renners op dit moment weinig te bieden heeft. “Geen geld, geen sponsors, geen toppers.”

De baanliefhebbers hopen op betere tijden. Met enig recht want de Internationale Wieler Unie (UCI) heeft onder leiding van voorzitter Hein Verbruggen zijn zegen uitgesproken over een herwaardering van het baan- en veldrijden. Als je Henk van Veen, al drie jaar lang de schakel tussen KNWU-bestuur en de baan, moet geloven, zijn er grote veranderingen op komst. “De UCI heeft concrete plannen voor de baansport. De wereldbekerwedstrijden die worden gehouden zijn daar een onderdeel van.” Van Veen put ook moed uit uit onverdachte hoek in de vorm van een rapport dat Tour de France-directeur Leblanc afgelopen winter presenteerde. “Daarin geeft hij het wegrennen nog hooguit tien à vijftien jaar. Door de vele vluchtheuvels, paaltjes en de intensiteit van het verkeer, kan de veiligheid bij etappes niet meer gegarandeerd worden. Op dat moment komt de baan weer serieus in beeld.”